Posts tonen met het label Politiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Politiek. Alle posts tonen
dinsdag 1 november 2011
woensdag 2 maart 2011
maandag 14 februari 2011
zondag 28 november 2010
Armoede werkt niet
Ik was gisteren naar de manifestatie 'armoede werkt niet' geweest die georganiseerd was door de SP en gesteund werd door de PVDA en de FNV. Het was een actie tegen de plannen van het kabinet Rutte om mensen met een arbeidsbeperking te korten op hun uitkering (WAJONG, WSW, WWB). Verder zijn er plannen om 30.000 banen in de sociale werkvoorziening te schrappen. Dit zijn schandalige plannen die wat mij betreft zo snel mogelijk van tafel moeten. Aangezien ik een WAJONG uitkering heb treffen deze plannen mij direct. Meneer Rutte lijkt te denken dat we het te goed hebben met onze uitkering en dat we vanzelf wel aan het werk gaan als hij onze uitkeringen verlaagd. Dat is natuurlijk onzin. Ik zou gaan werken als er een geschikte baan voor mij was. Van het korten op mijn uitkering wordt ik alleen maar armer. Voor veel mensen met een arbeidsbeperking is de sociale werkvoorziening een uitkomst. Daar wil men nu dus vreselijk veel banen gaan schrappen. Er is voor deze mensen geen alternatief. De sociale werkvoorziening is niet voor iedere arbeidsgehandicapte even geschikt. Mijn ervaring met de DZB hier in Leiden was in ieder geval dat ze mij geen werk te bieden hadden dat aansloot bij mijn vaardigheden en behoeften. Veel arbeidsgehandicapten werken er echter met plezier. Ik zie ook aan de mensen op het DAC waar ik wat werkzaamheden verricht dat het heel veel voor mensen betekent om te werken. Je ziet dat mensen er beter door functioneren. Niemand wordt beter door thuis te zitten. We kunnen deze maatregelen dan ook niet accepteren. GroenLinks zou zich hier ook druk over moeten maken. Het was daarom ook jammer dat GroenLinks deze actie van de SP niet lijkt te steunen. GroenLinks was de grote afwezige op deze manifestatie. Dat lijkt mij een gemiste kans. Je hoeft geen vrienden van de SP te zijn om voor dezelfde zaak te vechten. Het was precies dit argument waarop de PVDA zich wel bij deze actie heeft aangesloten. De PVDA heeft op dit punt groot gelijk. Het zou een goede zaak zijn als GroenLinks dit argument ook zou onderschrijven. Ik was blij dat ik Job Cohen heb horen spreken in de Brabanthallen. Femke Halsema had er echter ook moeten staan.
zondag 21 november 2010
Thorbecke, de founding father van Nederland
In Amerika hebben ze het altijd over de founding fathers. Dit zijn de politieke leiders die de Onafhankelijkheidsverklaring hebben ondertekend of geholpen hebben met het opstellen van de grondwet. Zij zijn de grondleggers van de Verenigde Staten. Wij hebben ook een 'founding father'; Thorbecke. We hadden natuurlijk al een Vader des Vaderlands; Willem de Zwijger. Voor mij is dat toch iets anders dan een 'founding father'. Willem de Zwijger heeft niet onze grondwet geschreven, dat heeft Thorbecke gedaan. Onze grondwet is in wezen nog dezelfde als die van Thorbecke uit 1848, al is deze in 1983 herzien. Thorbecke was daarmee de grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie.
Johan Rudolf Thorbecke werd op 14 februari 1798 geboren als zoon van een tabakshandelaar. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Duitsland, maar de Thorbecke's hadden zich sinds de zeventiende eeuw in Zwolle gevestigd. Ondanks het feit dat zijn ouders het niet breed hadden, kreeg hij alle kans om zijn intelligentie te ontwikkelen. Zijn ouders hebben hem altijd gestimuleerd om door te leren.Van een predikant leerde hij Latijn en Grieks, waardoor Thorbecke de Latijnse school (een voorloper van het gymnasium) al na korte tijd kan verlaten. In 1815 gaat Thorbecke klassieke letteren studeren in Amsterdam. Vanaf 1818 zet hij zijn studie voort in Leiden. In 1820 zal hij promoveren op een dissertatie over de Romeinse redenaar Asinius Pollio.
Na zijn promotie vertrok hij naar Duitsland om daar te gaan werken als privaat-docent. Dat was in die tijd niet ongebruikelijk. Deze periode was belangrijk voor zijn geestelijke vorming. Hij kwam er in aanraking met het Duitse idealisme. Dat was in die tijd een populaire filosofische stroming. Door geldzorgen moest hij weer terug naar Nederland. In 1825 werd jij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Gent. Als gevolg van de Belgische opstand in 1830 moest hij de stad verlaten. Een jaar later werd Thorbecke benoemd tot hoogleraar diplomatie en moderne geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Hier zou hij onder andere college geven over de grondwet. In 1839 publiceerde hij 'Aanteekening op de Grondwet '. Dit zou een aanzet zijn tot een debat over de grondwet zoals die op dat moment bestond.
In 1836 trouwde Thorbecke met Adelheid Sorger. Zij was negentien jaar jonger dan Thorbecke. In dat jaar kocht hij een huis aan de Garenmarkt. Hij woonde op de Garenmarkt 9. Hij is daar tot 1850 blijven wonen. Thorbecke was iemand die zijn onafhankelijkheid koesterde. Hij maakte op zijn omgeving een koele, hooghartige en ongenaakbare indruk. Hij bleek in intieme kring echter een warme persoonlijkheid. Hij hield van wijn, sigaren en muziek- met name van Mozart en Beethoven.
In 1840 werd hij lid van de zogenaamde dubbele kamer. Tussen 1844 en 1845 was hij lid van de tweede kamer. Hier nam hij het initiatief tot herziening van de grondwet. Hij deed dat samen met acht andere kamerleden (de Negenmannen). Het voorstel werd niet in behandeling genomen. De voorstellen werden 'on-Nederlands' genoemd. Het maakte wel veel discussie los. In 1853, 1863 en 1872 ontving Thorbecke doodsbedreigingen van onbekenden. In het laatste geval was dat in reactie op de mogelijke invoering van een inkomstenbelasting.
In 1848 kwam die nieuwe grondwet er toch. Thorbecke was in dat revolutiejaar aangesteld als voorzitter van de Grondwetscommissie. Koning Willem II was geschrokken van de woelingen in het buitenland. 1848 was niet toevallig het jaar waarin Karl Marx en Friedrich Engels het Communistisch Manifest schreven. In dat jaar waarde er een spook door Europa, zoals Marx schreef. In heel Europa was er sprake van een revolutionaire stemming. In Frankrijk brak de Februarirevolutie uit. Frankrijk werd weer een republiek. Als reactie hierop brak er in Oostenrijk en Hongarije de Maartrevolutie uit. Ook in de Duitse landen heerste een revolutionaire stemming. In heel Europa was het onrustig.De gevestigde machten sidderden. Willem II had goed door dat de zaken niet bij het oude konden blijven. Dat hij met het aanstellen van de Commissie zijn ministers passeerde scheen niet terzake te doen. Zijn hervormingsdrift leek niet voort te komen uit een passie voor het staatsrecht. Hij was er meer op uit om zijn hachje te redden.
De nieuwe grondwet betekende een grote vooruitgang. Er kwamen rechtstreekse verkiezingen. Daarnaast kwam er de ministeriële verantwoordelijkheid en werden de parlementaire bevoegdheden uitgebreid. Het algemene kiesrecht gold alleen nog voor mannen. Vrouwen zouden pas in 1917 kiesrecht krijgen. Met deze grondwet was Nederland eindelijk een moderne staat geworden.
Thorbecke heeft leiding gegeven aan drie kabinetten. Thorbecke was in zijn kabinetten minister van binnenlandse zaken. Daar viel een zeer breed takenpakket onder; binnenlands bestuur, landbouw, handel en nijverheid, armenzorg, onderwijs, waterstaat en volksgezondheid vielen hieronder. De post van minister-president bestond nog niet in zijn tijd.
In het eerste kabinet dat duurde van 1849 tot 1853 had hij constant conflicten met koning Willem II. Zijn tweede kabinet dat zat van 1862 tot 1866 stond vooral in het teken van de infrastructuur. In deze tijd werd het Noordzeekanaal gegraven. Thorbecke was niet bij iedereen populair. In deze periode ontving hij een doodsbedreiging per brief. Wat dat betreft is er dus niets nieuws onder de zon.
Het laatste kabinet Thorbecke duurde van 4 januari 1871 tot 6 juni 1872, de dag dat Thorbecke stierf. In zijn laatste kabinetsperiode had Thorbecke aan Aletta Jacobs als eerste vrouw toestemming gegeven om aan een universiteit te studeren. Dit had hij vijf dagen voor zijn dood nog geregeld.
Thorbecke was een van de grootste staatsmannen die ons land ooit heeft gekend. De grondwet van 1848 is het fundament van onze rechtsstaat. Er zijn later enige wijzigingen aangebracht, maar in grote lijnen is onze grondwet nog steeds dezelfde als die van 1848 . In 1983 heeft de laatste wijziging van de grondwet plaatsgevonden. Het huidige artikel 1, waarin discriminatie wordt verboden, werd toen aan de grondwet toegevoegd. Dit artikel is eigenlijk een logische toevoeging aan de grondwet zoals die bestond. Aan het fundament van onze rechtsstaat kan en mag niet zomaar getornd worden.
Het liberalisme van Thorbecke was geworteld in het Duitse idealisme. Een van de kenmerken van het Duitse idealisme is dat het uitgaat van een analyse van de historische ontwikkeling. Een van de belangrijkste voormannen van het Duitse idealisme is Hegel. Hegel wilde alle kennis in een totaalconcept verenigen. Wetenschap, esthetica, godsdienst en filosofie moesten samenkomen in een groot systeem. De werkelijkheid was in zijn ogen niet statisch, maar de uitkomst van een continu dynamisch proces waarbij nieuwe tegenstellingen telkens weer worden opgeheven. Dit proces noemde Hegel dialectiek. Filosofie was voor Hegel 'haar tijd in gedachten vervat'. Kennis is dus bij Hegel gebonden aan de culturele context en de historische situatie. Kennis is dus niet absoluut. Kennis ontwikkelt zich door tegenstellingen die worden opgeheven. Dus eigenlijk door discussie. Zo bezien kan je het Duits idealisme zien als een basis voor het liberalisme. Niet iedereen zal dit zo zien, maar dit is de manier waarop Thorbecke het zag. Liberalisme gaat ervan uit dat niemand zeker weet wat het goede leven is. Mensen hebben daar verschillende visies op en vullen dat op hun eigen manier in. Daarom moeten vrijgelaten worden om hun leven te leiden zoals ze willen, zolang ze anderen maar niet in hun vrijheid belemmeren (zoals een Amerikaanse rechter zei;'de vrijheid om met je vuist te zwaaien wordt beperkt door de neus van je buurman.') Het is niet aan de staat om in te grijpen voor je eigen bestwil. De VVD noemt zich een liberale partij en ziet zich graag als de erfgenaam van Thorbecke. Laten we eens kijken naar het liberalisme van Thorbecke en laten we kijken naar wat we daarvan terugvinden bij de VVD. Het liberalisme van Thorbecke wordt duidelijk uit een citaat als het volgende;
Liberaal regeren, dat is regeren overeenkomstig de natuurwet, die aan elk wezen een bijzondere bestemming en een eigen scheppingsvermogen heeft toegekend; dat is de algemene voorwaarden verzekeren, onder welke aan alle leden van de staat het zelfstandig handelen, naar de mate van ieders aanleg mogelijk wordt.
Het is niet liberaal, wanneer een regering de ontwikkeling van arbeid en kapitaal, of hun meest vrije en vruchtbare besteding tegenhoudt; wanneer zij een richting zoekt te geven aan hetgeen zijn weg zelf moet vinden; wanneer zij met één woord, in stede voor de mogelijkheid van maatschappelijke ontwikkeling te zorgen, die zelve in de hand nemen wil.
Voor een deel kan je hier het verhaal van de huidige VVD wel in herkennen. De nadruk op de autonomie van het individu dat niet belemmert mag worden in zijn ontplooiing is een kenmerk van het liberalisme dat we ook terugvinden bij de VVD. De nadruk op de vrije markt die zijn werk moet doen ook. Hij had echter, meer dan de VVD, ook oog voor de onderkant van de samenleving;
Druk de arbeider, dwing hem zich met het meest onmisbare te vergenoegen en gij zult zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, uitdoven.
Stel hem daarentegen tot genietingen boven zijn volstrekte behoefte in staat, en gij zult zijn kracht verhogen, zijn vlijt verdubbelen, en de grond leggen tot algemene beschaving en ontwikkeling van de maatschappij.
Thorbecke was dus van mening dat, wilde een mens floreren en een nuttig lid van deze samenleving kunnen zijn, hij over een bestaansminimum moest beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt. Hij dacht daarbij natuurlijk niet aan mensen met een uitkering. Die bestonden in die tijd niet. Er was nog geen verzorgingsstaat. Hij dacht aan arbeiders. Daarin verschilde hij niet van de socialisten. Als we als algemeen uitgangspunt nemen dat een mens over een bestaansminimum moet beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt wil hij kunnen floreren, dan geldt dit echter ook voor de huidige minima. Thorbecke zou in deze tijd de mensen met een uitkering niet laten stikken. Volgens zijn gedachtegoed moet een fatsoenlijk bestaansminimum gegarandeerd zijn. De VVD, die als liberale partij in de traditie van Thorbecke zou moeten staan, lijkt eerder de tegenovergestelde mening te zijn toegedaan. De VVD meent dat het keihard snoeien in de uitkeringen mensen met een uitkering wel zal stimuleren om de arbeidsmarkt op te gaan. Uitkeringsgerechtigden hebben het volgens de VVD kennelijk te goed. Het is nu al moeilijk om van een uitkering rond te komen. Door de uitkeringen te verlagen zullen de mensen met een uitkering alleen maar dieper de armoede worden ingedreven. Er zullen meer mensen bij de voedselbank terecht komen. Mensen worden alleen maar moedeloos van armoede, ze worden er niet door gemotiveerd. Om met Thorbecke te spreken; ; 'zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, [zal] uitdoven.' Het zorgt er alleen maar voor dat de mensen die toch al in de marge van de samenleving leven, zich nog meer in de steek gelaten voelen en zich nog meer van de samenleving af zullen keren.
Ook op andere punten lijkt het er sterk op dat de VVD van Rutte het gedachtegoed van Thorbecke verraadt. Thorbecke waarschuwde er voor dat het algemeen belang niet moest worden opgeofferd aan het partijbelang. Rutte heeft dit gedaan door te kiezen voor een minderheidscoalitie met het CDA en een bizarre gedoogconstructie met de PVV, wat men niet anders kan zien dan als een staatsrechtelijk monstrum. Alle andere mogelijke coalities heeft Rutte doelbewust onmogelijk gemaakt. Zijn rechtse hobby, een rechtse regering, moest er koste wat het kost doorgedrukt worden.
Niets discrediteert de vertegenwoordiging en de parlementaire regeringsvorm meer, dan wanneer men ziet, dat algemeen belang aan persoonlijke partijzucht wordt opgeofferd.
Het ondermijnt het vertrouwen in de politiek. Gelukkig kunnen wij kiezers politici die zo handelen bij de volgende verkiezingen naar huis sturen. Rutte heeft er ook voor gekozen om te regeren met de kleinst mogelijke meerderheid, zo het al een meerderheid genoemd mag worden. Met een beetje goede wil kan je zeggen dat hij de numerieke meerderheid heeft, hij heeft immers de meeste zeteltjes. Het is de vraag of hij ook de morele meerderheid heeft. Dat lijkt mij niet het geval te zijn. Een regering die afhangt van de steun van een partij als de PVV kan nooit de morele meerderheid hebben.
Komt het op numeriek meerderheid, en nog wel van één of een paar stemmen, dan op morele meerderheid aan?
Kan een ministerie met enige stemmen meerderheid tegen een morele meerderheid regeren?
Het kabinet van Rutte steunt op de kleinst mogelijke meerderheid van één zetel. Zijn coalitie van VVD en CDA heeft 52 zetels en dus geen meerderheid in de tweede kamer. Het is dus formeel een minderheidskabinet. Het kabinet moet het hebben van de gedoogsteun van de PVV, een partij met een bruin luchtje. Met de gedoogsteun van de PVV komen ze aan de krapst mogelijke meerderheid van 76 zetels. De meerderheid van de stemmen hebben ze niet. Dat ze aan de meerderheid in zetelaantallen komen heeft uitsluitend te maken met de verdeling van restzetels. Als alle linkse partijen een lijstverbinding met elkaar waren aangegaan, dan had dit kabinet geen meerderheid gehad. Wilders schermt graag met zijn anderhalf miljoen kiezers. Die zouden we moeten respecteren. De overgrote meerderheid van de kiezers heeft dus niet op Wilders gestemd en een groot aantal van deze mensen walgt van Wilders. Dit kabinet ontbeert draagvlak. Er hoeft maar een kamerlid weg te lopen uit een van de regerende partijen of uit de fractie van de gedoogpartij PVV of het kabinet is haar meerderheid kwijt.
Veel mensen keren zich met recht op morele gronden tegen de PVV en willen niet dat deze partij deelneemt aan het kabinet en ook niet dat deze partij het kabinet gedoogt. Een partij die de fundamenten van de rechtsstaat ondermijnt hoort niet in een kabinet en ook geen kabinet afhankelijk te maken van de gedoogsteun van die partij. De PVV ondermijnt de rechtsstaat onder meer door de discriminatie van moslims. Dit ondermijnt de vrijheid van godsdienst. De vrijheid van godsdienst is een grondrecht. De grondrechten vormen het fundament van onze rechtsstaat. Wie daar aan morrelt, morrelt aan onze rechtsstaat. Oud-premier Lubbers zei het als volgt;
‘Vrijheid van godsdienst – ook van de Islam dus – en geen discriminatie op basis van geloofs- of levensovertuiging behoren wezenskenmerken te blijven van onze rechtsstaat. Daarover mag geen begin van twijfel ontstaan.’
Rutte verliest door in zee te gaan met de PVV de morele meerderheid. Thorbecke zei het als volgt;
Dat het Ministerie de numerieke meerderheid had en behield, zou luttel waarde hebben, zoo ze niet de morele meerderheid tot grond had; de morele meerderheid, welke de Minister, al is hij niet uit de andere voortgekomen, bezit, wanneer de waarheid, het regt, de eischen eener noodzakelijk geworden ontwikkeling aan zijne zijde zijn; wanneer hetgeen hij wil, zijn stelsel, zijn beleid eene bezielende magt worden.
Rutte heeft duidelijk de waarheid en het recht niet aan zijn zijde. Het kabinet komt ook niet voort uit de eisen van een noodzakelijke ontwikkeling. Rutte draagt hierdoor bij aan het ondermijnen van de rechtsstaat;
De constitutionele Monarchie is aan misbruik en bederf onderhevig, voor zooveel zij niet in alle omstandigheden een volkomen waarborg aanbiedt voor het regte gebruik van de regeermagt of van de vrijheid.
Het juiste gebruik van de regeermacht en de vrijheid is onder Rutte duidelijk aan misbruik en bederf onderhevig.
Het is duidelijk dat Rutte de erfenis van Thorbecke verkwanselt en hij zich geen echte liberaal mag noemen. Hij gooit de grondslag van de Nederlandse staat te grabbel. Alles waar we als Nederland trots op mogen zijn en liberalen als Thorbecke dankbaar voor mogen zijn.,wordt achteloos ter zijde geschoven. Dit is de VVD onwaardig. Rutte moest zich schamen. We moeten Rutte hier op aan blijven spreken; Thorbecke is van ons allemaal.
Johan Rudolf Thorbecke werd op 14 februari 1798 geboren als zoon van een tabakshandelaar. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Duitsland, maar de Thorbecke's hadden zich sinds de zeventiende eeuw in Zwolle gevestigd. Ondanks het feit dat zijn ouders het niet breed hadden, kreeg hij alle kans om zijn intelligentie te ontwikkelen. Zijn ouders hebben hem altijd gestimuleerd om door te leren.Van een predikant leerde hij Latijn en Grieks, waardoor Thorbecke de Latijnse school (een voorloper van het gymnasium) al na korte tijd kan verlaten. In 1815 gaat Thorbecke klassieke letteren studeren in Amsterdam. Vanaf 1818 zet hij zijn studie voort in Leiden. In 1820 zal hij promoveren op een dissertatie over de Romeinse redenaar Asinius Pollio.
Na zijn promotie vertrok hij naar Duitsland om daar te gaan werken als privaat-docent. Dat was in die tijd niet ongebruikelijk. Deze periode was belangrijk voor zijn geestelijke vorming. Hij kwam er in aanraking met het Duitse idealisme. Dat was in die tijd een populaire filosofische stroming. Door geldzorgen moest hij weer terug naar Nederland. In 1825 werd jij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Gent. Als gevolg van de Belgische opstand in 1830 moest hij de stad verlaten. Een jaar later werd Thorbecke benoemd tot hoogleraar diplomatie en moderne geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Hier zou hij onder andere college geven over de grondwet. In 1839 publiceerde hij 'Aanteekening op de Grondwet '. Dit zou een aanzet zijn tot een debat over de grondwet zoals die op dat moment bestond.
In 1836 trouwde Thorbecke met Adelheid Sorger. Zij was negentien jaar jonger dan Thorbecke. In dat jaar kocht hij een huis aan de Garenmarkt. Hij woonde op de Garenmarkt 9. Hij is daar tot 1850 blijven wonen. Thorbecke was iemand die zijn onafhankelijkheid koesterde. Hij maakte op zijn omgeving een koele, hooghartige en ongenaakbare indruk. Hij bleek in intieme kring echter een warme persoonlijkheid. Hij hield van wijn, sigaren en muziek- met name van Mozart en Beethoven.
In 1840 werd hij lid van de zogenaamde dubbele kamer. Tussen 1844 en 1845 was hij lid van de tweede kamer. Hier nam hij het initiatief tot herziening van de grondwet. Hij deed dat samen met acht andere kamerleden (de Negenmannen). Het voorstel werd niet in behandeling genomen. De voorstellen werden 'on-Nederlands' genoemd. Het maakte wel veel discussie los. In 1853, 1863 en 1872 ontving Thorbecke doodsbedreigingen van onbekenden. In het laatste geval was dat in reactie op de mogelijke invoering van een inkomstenbelasting.
In 1848 kwam die nieuwe grondwet er toch. Thorbecke was in dat revolutiejaar aangesteld als voorzitter van de Grondwetscommissie. Koning Willem II was geschrokken van de woelingen in het buitenland. 1848 was niet toevallig het jaar waarin Karl Marx en Friedrich Engels het Communistisch Manifest schreven. In dat jaar waarde er een spook door Europa, zoals Marx schreef. In heel Europa was er sprake van een revolutionaire stemming. In Frankrijk brak de Februarirevolutie uit. Frankrijk werd weer een republiek. Als reactie hierop brak er in Oostenrijk en Hongarije de Maartrevolutie uit. Ook in de Duitse landen heerste een revolutionaire stemming. In heel Europa was het onrustig.De gevestigde machten sidderden. Willem II had goed door dat de zaken niet bij het oude konden blijven. Dat hij met het aanstellen van de Commissie zijn ministers passeerde scheen niet terzake te doen. Zijn hervormingsdrift leek niet voort te komen uit een passie voor het staatsrecht. Hij was er meer op uit om zijn hachje te redden.
De nieuwe grondwet betekende een grote vooruitgang. Er kwamen rechtstreekse verkiezingen. Daarnaast kwam er de ministeriële verantwoordelijkheid en werden de parlementaire bevoegdheden uitgebreid. Het algemene kiesrecht gold alleen nog voor mannen. Vrouwen zouden pas in 1917 kiesrecht krijgen. Met deze grondwet was Nederland eindelijk een moderne staat geworden.
Thorbecke heeft leiding gegeven aan drie kabinetten. Thorbecke was in zijn kabinetten minister van binnenlandse zaken. Daar viel een zeer breed takenpakket onder; binnenlands bestuur, landbouw, handel en nijverheid, armenzorg, onderwijs, waterstaat en volksgezondheid vielen hieronder. De post van minister-president bestond nog niet in zijn tijd.
In het eerste kabinet dat duurde van 1849 tot 1853 had hij constant conflicten met koning Willem II. Zijn tweede kabinet dat zat van 1862 tot 1866 stond vooral in het teken van de infrastructuur. In deze tijd werd het Noordzeekanaal gegraven. Thorbecke was niet bij iedereen populair. In deze periode ontving hij een doodsbedreiging per brief. Wat dat betreft is er dus niets nieuws onder de zon.
Het laatste kabinet Thorbecke duurde van 4 januari 1871 tot 6 juni 1872, de dag dat Thorbecke stierf. In zijn laatste kabinetsperiode had Thorbecke aan Aletta Jacobs als eerste vrouw toestemming gegeven om aan een universiteit te studeren. Dit had hij vijf dagen voor zijn dood nog geregeld.
Thorbecke was een van de grootste staatsmannen die ons land ooit heeft gekend. De grondwet van 1848 is het fundament van onze rechtsstaat. Er zijn later enige wijzigingen aangebracht, maar in grote lijnen is onze grondwet nog steeds dezelfde als die van 1848 . In 1983 heeft de laatste wijziging van de grondwet plaatsgevonden. Het huidige artikel 1, waarin discriminatie wordt verboden, werd toen aan de grondwet toegevoegd. Dit artikel is eigenlijk een logische toevoeging aan de grondwet zoals die bestond. Aan het fundament van onze rechtsstaat kan en mag niet zomaar getornd worden.
Het liberalisme van Thorbecke was geworteld in het Duitse idealisme. Een van de kenmerken van het Duitse idealisme is dat het uitgaat van een analyse van de historische ontwikkeling. Een van de belangrijkste voormannen van het Duitse idealisme is Hegel. Hegel wilde alle kennis in een totaalconcept verenigen. Wetenschap, esthetica, godsdienst en filosofie moesten samenkomen in een groot systeem. De werkelijkheid was in zijn ogen niet statisch, maar de uitkomst van een continu dynamisch proces waarbij nieuwe tegenstellingen telkens weer worden opgeheven. Dit proces noemde Hegel dialectiek. Filosofie was voor Hegel 'haar tijd in gedachten vervat'. Kennis is dus bij Hegel gebonden aan de culturele context en de historische situatie. Kennis is dus niet absoluut. Kennis ontwikkelt zich door tegenstellingen die worden opgeheven. Dus eigenlijk door discussie. Zo bezien kan je het Duits idealisme zien als een basis voor het liberalisme. Niet iedereen zal dit zo zien, maar dit is de manier waarop Thorbecke het zag. Liberalisme gaat ervan uit dat niemand zeker weet wat het goede leven is. Mensen hebben daar verschillende visies op en vullen dat op hun eigen manier in. Daarom moeten vrijgelaten worden om hun leven te leiden zoals ze willen, zolang ze anderen maar niet in hun vrijheid belemmeren (zoals een Amerikaanse rechter zei;'de vrijheid om met je vuist te zwaaien wordt beperkt door de neus van je buurman.') Het is niet aan de staat om in te grijpen voor je eigen bestwil. De VVD noemt zich een liberale partij en ziet zich graag als de erfgenaam van Thorbecke. Laten we eens kijken naar het liberalisme van Thorbecke en laten we kijken naar wat we daarvan terugvinden bij de VVD. Het liberalisme van Thorbecke wordt duidelijk uit een citaat als het volgende;
Liberaal regeren, dat is regeren overeenkomstig de natuurwet, die aan elk wezen een bijzondere bestemming en een eigen scheppingsvermogen heeft toegekend; dat is de algemene voorwaarden verzekeren, onder welke aan alle leden van de staat het zelfstandig handelen, naar de mate van ieders aanleg mogelijk wordt.
Het is niet liberaal, wanneer een regering de ontwikkeling van arbeid en kapitaal, of hun meest vrije en vruchtbare besteding tegenhoudt; wanneer zij een richting zoekt te geven aan hetgeen zijn weg zelf moet vinden; wanneer zij met één woord, in stede voor de mogelijkheid van maatschappelijke ontwikkeling te zorgen, die zelve in de hand nemen wil.
Voor een deel kan je hier het verhaal van de huidige VVD wel in herkennen. De nadruk op de autonomie van het individu dat niet belemmert mag worden in zijn ontplooiing is een kenmerk van het liberalisme dat we ook terugvinden bij de VVD. De nadruk op de vrije markt die zijn werk moet doen ook. Hij had echter, meer dan de VVD, ook oog voor de onderkant van de samenleving;
Druk de arbeider, dwing hem zich met het meest onmisbare te vergenoegen en gij zult zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, uitdoven.
Stel hem daarentegen tot genietingen boven zijn volstrekte behoefte in staat, en gij zult zijn kracht verhogen, zijn vlijt verdubbelen, en de grond leggen tot algemene beschaving en ontwikkeling van de maatschappij.
Thorbecke was dus van mening dat, wilde een mens floreren en een nuttig lid van deze samenleving kunnen zijn, hij over een bestaansminimum moest beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt. Hij dacht daarbij natuurlijk niet aan mensen met een uitkering. Die bestonden in die tijd niet. Er was nog geen verzorgingsstaat. Hij dacht aan arbeiders. Daarin verschilde hij niet van de socialisten. Als we als algemeen uitgangspunt nemen dat een mens over een bestaansminimum moet beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt wil hij kunnen floreren, dan geldt dit echter ook voor de huidige minima. Thorbecke zou in deze tijd de mensen met een uitkering niet laten stikken. Volgens zijn gedachtegoed moet een fatsoenlijk bestaansminimum gegarandeerd zijn. De VVD, die als liberale partij in de traditie van Thorbecke zou moeten staan, lijkt eerder de tegenovergestelde mening te zijn toegedaan. De VVD meent dat het keihard snoeien in de uitkeringen mensen met een uitkering wel zal stimuleren om de arbeidsmarkt op te gaan. Uitkeringsgerechtigden hebben het volgens de VVD kennelijk te goed. Het is nu al moeilijk om van een uitkering rond te komen. Door de uitkeringen te verlagen zullen de mensen met een uitkering alleen maar dieper de armoede worden ingedreven. Er zullen meer mensen bij de voedselbank terecht komen. Mensen worden alleen maar moedeloos van armoede, ze worden er niet door gemotiveerd. Om met Thorbecke te spreken; ; 'zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, [zal] uitdoven.' Het zorgt er alleen maar voor dat de mensen die toch al in de marge van de samenleving leven, zich nog meer in de steek gelaten voelen en zich nog meer van de samenleving af zullen keren.
Ook op andere punten lijkt het er sterk op dat de VVD van Rutte het gedachtegoed van Thorbecke verraadt. Thorbecke waarschuwde er voor dat het algemeen belang niet moest worden opgeofferd aan het partijbelang. Rutte heeft dit gedaan door te kiezen voor een minderheidscoalitie met het CDA en een bizarre gedoogconstructie met de PVV, wat men niet anders kan zien dan als een staatsrechtelijk monstrum. Alle andere mogelijke coalities heeft Rutte doelbewust onmogelijk gemaakt. Zijn rechtse hobby, een rechtse regering, moest er koste wat het kost doorgedrukt worden.
Niets discrediteert de vertegenwoordiging en de parlementaire regeringsvorm meer, dan wanneer men ziet, dat algemeen belang aan persoonlijke partijzucht wordt opgeofferd.
Het ondermijnt het vertrouwen in de politiek. Gelukkig kunnen wij kiezers politici die zo handelen bij de volgende verkiezingen naar huis sturen. Rutte heeft er ook voor gekozen om te regeren met de kleinst mogelijke meerderheid, zo het al een meerderheid genoemd mag worden. Met een beetje goede wil kan je zeggen dat hij de numerieke meerderheid heeft, hij heeft immers de meeste zeteltjes. Het is de vraag of hij ook de morele meerderheid heeft. Dat lijkt mij niet het geval te zijn. Een regering die afhangt van de steun van een partij als de PVV kan nooit de morele meerderheid hebben.
Komt het op numeriek meerderheid, en nog wel van één of een paar stemmen, dan op morele meerderheid aan?
Kan een ministerie met enige stemmen meerderheid tegen een morele meerderheid regeren?
Het kabinet van Rutte steunt op de kleinst mogelijke meerderheid van één zetel. Zijn coalitie van VVD en CDA heeft 52 zetels en dus geen meerderheid in de tweede kamer. Het is dus formeel een minderheidskabinet. Het kabinet moet het hebben van de gedoogsteun van de PVV, een partij met een bruin luchtje. Met de gedoogsteun van de PVV komen ze aan de krapst mogelijke meerderheid van 76 zetels. De meerderheid van de stemmen hebben ze niet. Dat ze aan de meerderheid in zetelaantallen komen heeft uitsluitend te maken met de verdeling van restzetels. Als alle linkse partijen een lijstverbinding met elkaar waren aangegaan, dan had dit kabinet geen meerderheid gehad. Wilders schermt graag met zijn anderhalf miljoen kiezers. Die zouden we moeten respecteren. De overgrote meerderheid van de kiezers heeft dus niet op Wilders gestemd en een groot aantal van deze mensen walgt van Wilders. Dit kabinet ontbeert draagvlak. Er hoeft maar een kamerlid weg te lopen uit een van de regerende partijen of uit de fractie van de gedoogpartij PVV of het kabinet is haar meerderheid kwijt.
Veel mensen keren zich met recht op morele gronden tegen de PVV en willen niet dat deze partij deelneemt aan het kabinet en ook niet dat deze partij het kabinet gedoogt. Een partij die de fundamenten van de rechtsstaat ondermijnt hoort niet in een kabinet en ook geen kabinet afhankelijk te maken van de gedoogsteun van die partij. De PVV ondermijnt de rechtsstaat onder meer door de discriminatie van moslims. Dit ondermijnt de vrijheid van godsdienst. De vrijheid van godsdienst is een grondrecht. De grondrechten vormen het fundament van onze rechtsstaat. Wie daar aan morrelt, morrelt aan onze rechtsstaat. Oud-premier Lubbers zei het als volgt;
‘Vrijheid van godsdienst – ook van de Islam dus – en geen discriminatie op basis van geloofs- of levensovertuiging behoren wezenskenmerken te blijven van onze rechtsstaat. Daarover mag geen begin van twijfel ontstaan.’
Rutte verliest door in zee te gaan met de PVV de morele meerderheid. Thorbecke zei het als volgt;
Dat het Ministerie de numerieke meerderheid had en behield, zou luttel waarde hebben, zoo ze niet de morele meerderheid tot grond had; de morele meerderheid, welke de Minister, al is hij niet uit de andere voortgekomen, bezit, wanneer de waarheid, het regt, de eischen eener noodzakelijk geworden ontwikkeling aan zijne zijde zijn; wanneer hetgeen hij wil, zijn stelsel, zijn beleid eene bezielende magt worden.
Rutte heeft duidelijk de waarheid en het recht niet aan zijn zijde. Het kabinet komt ook niet voort uit de eisen van een noodzakelijke ontwikkeling. Rutte draagt hierdoor bij aan het ondermijnen van de rechtsstaat;
De constitutionele Monarchie is aan misbruik en bederf onderhevig, voor zooveel zij niet in alle omstandigheden een volkomen waarborg aanbiedt voor het regte gebruik van de regeermagt of van de vrijheid.
Het juiste gebruik van de regeermacht en de vrijheid is onder Rutte duidelijk aan misbruik en bederf onderhevig.
Het is duidelijk dat Rutte de erfenis van Thorbecke verkwanselt en hij zich geen echte liberaal mag noemen. Hij gooit de grondslag van de Nederlandse staat te grabbel. Alles waar we als Nederland trots op mogen zijn en liberalen als Thorbecke dankbaar voor mogen zijn.,wordt achteloos ter zijde geschoven. Dit is de VVD onwaardig. Rutte moest zich schamen. We moeten Rutte hier op aan blijven spreken; Thorbecke is van ons allemaal.
dinsdag 19 oktober 2010
De onversneden wijn der vrijheid
Het lijkt er niet best voor te staan met de democratie in Nederland. Het politieke landschap is gefragmenteerd. Schreeuwerige populisten voeren steeds meer de boventoon. Een belangrijk deel van de bevolking voelt zich vervreemd van de politiek. Ed van Thijn heeft de huidige situatie van Nederland wel vergeleken met die van de Weimarrepubliek. Van Thijn: “Er zijn historische voorbeelden te noemen van democratieën die zichzelf opblazen zoals de Weimarrepubliek. Daar stemden de coalities op vleugelpartijen, waardoor er geen coalities meer te vormen waren. Daar was ik altijd bang voor en het is zuur dat het nu werkelijkheid dreigt te worden.”
Van Thijn lijkt gelijk te krijgen. Ook in ons land is er nog nauwelijks een coalitie te vormen. Het heeft er alle schijn van dat we een uiterst wankel kabinet krijgen dat in de kamer slechts kan rekenen op de kleinst mogelijke meerderheid. De overlevingskansen van het kabinet Rutte-Verhagen lijken uiterst gering. Het CDA was, wat je verder van het CDA moge vinden, een stabiele factor in het centrum van de Nederlandse politiek. Het CDA is thans geïmplodeerd. Imploderende sterren laten zwarte gaten achter. Het CDA heeft een groot zwart gat achtergelaten in het centrum van de politiek. Er is op dit moment geen enkele partij die de rol van middenpartij van het CDA zou kunnen overnemen. Alle grote partijen zijn al een aantal verkiezingen op rij aan het slinken. Alleen dat al maakt het moeilijk om een voldoende kritische massa te komen om een stabiel centrum te komen. De politieke agenda wordt niet meer bepaald door het centrum, maar door een schreeuwerige minderheid van populisten op de extreem-rechtse flank van de politiek. Eerder had het electoraat zijn heil gezocht op de linkerklank bij de niet minder populistische SP. Het land lijkt onbestuurbaar te worden. Een machtsvacuüm kan nooit lang voort blijven bestaan.Vroeg of laat zal dit vacuüm gevuld worden door tirannen en dictators. Dat heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Er moet dus iets gebeuren.
Onze democratie is ziek. Voor dat we de patiënt gaan behandelen, moeten we eerst de diagnose stellen. Een aantal symptomen hebben we al genoemd. We moeten nu vaststellen wat de oorzaken zijn en hoe we het ziektebeeld het beste kunnen omschrijven. Laten we ons eerst afvragen of ons probleem een specifiek Nederlands probleem is. Dat lijkt niet het geval te zijn. Het lijkt erop dat de hele Westerse wereld in min of meerdere mate met dezelfde soort problemen te kampen heeft. Dat zou er op kunnen wijzen dat de ziekte heel ernstig is en dat de rot tot in de diepste wortels van onze beschaving zit. Misschien is een genezing niet meer mogelijk en staan we aan de vooravond van wat Oswald Spengler de ondergang van het Avondland noemde.
Beschaving is meer dan democratie. Wanneer onze hele beschaving ziek is, dan zou het kunnen dat de democratie zelf de oorzaak is van het probleem. Dat zou in ieder geval de analyse zijn van filosofen als Plato en Aristoteles. Democratie heeft de neiging om te ontaarden en te vervallen in tirannie. Volgens Plato zal 'de onverzadelijke begeerte naar wat de democratie als hààr goed beschouwt, […] eveneens haar ondergang bewerken.' Dat hoogste goed is de vrijheid. Door de onverzadelijke behoefte en de verwaarlozing van de rest, zou de democratie vanzelf in een dictatuur ontaarden. Leiders die niets en onderdanen die alles te zeggen hebben; dat is de formule van de democratie. Plato voorzag een ondermijning van het gezag. We willen alle vrijheid an dulden geen enkele inperking van die vrijheid. We zwelgen, volgens Plato, aan de onversneden wijn der vrijheid.
Autoriteiten zouden geen erkenning meer krijgen. We zien dat wetenschappers bijvoorbeeld nog maar weinig gezag hebben in onze samenleving. We zagen het in discussies omtrent de vaccinatie tegen de Mexicaanse griep en de discussies omtrent het broeikaseffect. Een willekeurige weblog van een huisvrouw heeft voor veel burgers net zo veel gezag als een gedegen wetenschappelijk rapport. Plato voorzag ook onze huidige cultus van de jeugd;
Jonge snuiters staan helemaal op gelijke voet met bejaarde mensen en nemen het tegen hen op in woord en daad. En de oude mensen passen zich aan bij de jeugd en putten zich uit in grapjes en scherts. Om toch maar niet de indruk van kniezerigheid en bazigheid te verwekken, gaan ook zij de jeugd na-apen.
De mensen raken lichtgeraakt. 'Iemand hoeft ze maar een schijn van dwang proberen op te leggen, en ze gaan aan het gisten.' Dit is een heel herkenbaar beeld in deze tijd waarin we lijden onder de dictatuur van de opgestoken middelvinger. Teveel vrijheid leidt tot ondermijning van diezelfde vrijheid. Volgens Plato ontstaat de democratie als de armen in opstand komen tegen de rijken en de macht overnemen. De volksmassa is niet toegerust om de verantwoordelijkheid van de macht te dragen. Een dergelijke samenleving moet dus wel ontsporen. Ik geloof niet dat deze analyse juist is.
De onlangs overleden Tony Judt maakt een andere analyse. De crisis in onze beschaving en democratie komt volgens hem door de afbrak van de verzorgingsstaat die sinds de jaren zeventig aan de gang is. Daardoor zouden het fatsoen en het vertrouwen in de samenleving verdwijnen. De solidariteit is uit onze samenleving verdwenen. In een samenleving waar we worden beschouwd als egoïstische individuen zullen we ons ook als zodanig gedragen. Het uiteindelijke resultaat lijkt sterk op het beeld dat Plato schetst. De oorzaak is bij Judt een andere. Het lijkt er op dat Marx gelijk had en er een klassenstrijd heeft plaatsgevonden. De rijken hebben hem gewonnen. Of Judt helemaal gelijk heeft weet ik niet, maar hij wijst zeker op een paar zeer wezenlijke problemen.
We hebben nu twee diagnoses die allebei verschillende oorzaken van de ziekte van onze democratie en beschaving vaststellen. Maakt dat nog een verschil uit voor de behandeling? Daar lijkt het wel op. Plato schrijft een paardenmiddel voor. Hij wil de democratie afschaffen en de staat laten leiden door koning-filosofen. Op deze wijze zou de beschaving gered kunnen worden. Het lijkt mij dat de patiënt aan de behandeling zou overlijden.
Judt lijkt niet echt goed te weten hoe de patiënt behandelt moet worden. We moeten van hem bozer zijn over wat we hebben verloren en het sociaal-democratische vertoog gebruiken als tegenwicht tegen het neo-liberalisme. Het is de vraag of dat zal helpen. Is de verzorgingsstaat nog wel te redden in een geglobaliseerde economie?
Het verhaal van Judt kan ook niet het hele verhaal zijn. De deplorabele toestand van onze beschaving en onze democratie kan niet allen te wijten zijn aan de afbraak van de verzorgingsstaat. Het gebrek aan solidariteit ging vooraf aan de afbraak van de verzorgingsstaat. De burger heeft vanaf het tijdperk van Reagan en Thatcher een duidelijke keuze gemaakt voor deze afbraak. Plato lijkt toch meer gelijk te krijgen dan Judt. De onversneden wijn der vrijheid heeft ons dronken gemaakt. Nu zitten we met de kater.
Van Thijn lijkt gelijk te krijgen. Ook in ons land is er nog nauwelijks een coalitie te vormen. Het heeft er alle schijn van dat we een uiterst wankel kabinet krijgen dat in de kamer slechts kan rekenen op de kleinst mogelijke meerderheid. De overlevingskansen van het kabinet Rutte-Verhagen lijken uiterst gering. Het CDA was, wat je verder van het CDA moge vinden, een stabiele factor in het centrum van de Nederlandse politiek. Het CDA is thans geïmplodeerd. Imploderende sterren laten zwarte gaten achter. Het CDA heeft een groot zwart gat achtergelaten in het centrum van de politiek. Er is op dit moment geen enkele partij die de rol van middenpartij van het CDA zou kunnen overnemen. Alle grote partijen zijn al een aantal verkiezingen op rij aan het slinken. Alleen dat al maakt het moeilijk om een voldoende kritische massa te komen om een stabiel centrum te komen. De politieke agenda wordt niet meer bepaald door het centrum, maar door een schreeuwerige minderheid van populisten op de extreem-rechtse flank van de politiek. Eerder had het electoraat zijn heil gezocht op de linkerklank bij de niet minder populistische SP. Het land lijkt onbestuurbaar te worden. Een machtsvacuüm kan nooit lang voort blijven bestaan.Vroeg of laat zal dit vacuüm gevuld worden door tirannen en dictators. Dat heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Er moet dus iets gebeuren.
Onze democratie is ziek. Voor dat we de patiënt gaan behandelen, moeten we eerst de diagnose stellen. Een aantal symptomen hebben we al genoemd. We moeten nu vaststellen wat de oorzaken zijn en hoe we het ziektebeeld het beste kunnen omschrijven. Laten we ons eerst afvragen of ons probleem een specifiek Nederlands probleem is. Dat lijkt niet het geval te zijn. Het lijkt erop dat de hele Westerse wereld in min of meerdere mate met dezelfde soort problemen te kampen heeft. Dat zou er op kunnen wijzen dat de ziekte heel ernstig is en dat de rot tot in de diepste wortels van onze beschaving zit. Misschien is een genezing niet meer mogelijk en staan we aan de vooravond van wat Oswald Spengler de ondergang van het Avondland noemde.
Beschaving is meer dan democratie. Wanneer onze hele beschaving ziek is, dan zou het kunnen dat de democratie zelf de oorzaak is van het probleem. Dat zou in ieder geval de analyse zijn van filosofen als Plato en Aristoteles. Democratie heeft de neiging om te ontaarden en te vervallen in tirannie. Volgens Plato zal 'de onverzadelijke begeerte naar wat de democratie als hààr goed beschouwt, […] eveneens haar ondergang bewerken.' Dat hoogste goed is de vrijheid. Door de onverzadelijke behoefte en de verwaarlozing van de rest, zou de democratie vanzelf in een dictatuur ontaarden. Leiders die niets en onderdanen die alles te zeggen hebben; dat is de formule van de democratie. Plato voorzag een ondermijning van het gezag. We willen alle vrijheid an dulden geen enkele inperking van die vrijheid. We zwelgen, volgens Plato, aan de onversneden wijn der vrijheid.
Autoriteiten zouden geen erkenning meer krijgen. We zien dat wetenschappers bijvoorbeeld nog maar weinig gezag hebben in onze samenleving. We zagen het in discussies omtrent de vaccinatie tegen de Mexicaanse griep en de discussies omtrent het broeikaseffect. Een willekeurige weblog van een huisvrouw heeft voor veel burgers net zo veel gezag als een gedegen wetenschappelijk rapport. Plato voorzag ook onze huidige cultus van de jeugd;
Jonge snuiters staan helemaal op gelijke voet met bejaarde mensen en nemen het tegen hen op in woord en daad. En de oude mensen passen zich aan bij de jeugd en putten zich uit in grapjes en scherts. Om toch maar niet de indruk van kniezerigheid en bazigheid te verwekken, gaan ook zij de jeugd na-apen.
De mensen raken lichtgeraakt. 'Iemand hoeft ze maar een schijn van dwang proberen op te leggen, en ze gaan aan het gisten.' Dit is een heel herkenbaar beeld in deze tijd waarin we lijden onder de dictatuur van de opgestoken middelvinger. Teveel vrijheid leidt tot ondermijning van diezelfde vrijheid. Volgens Plato ontstaat de democratie als de armen in opstand komen tegen de rijken en de macht overnemen. De volksmassa is niet toegerust om de verantwoordelijkheid van de macht te dragen. Een dergelijke samenleving moet dus wel ontsporen. Ik geloof niet dat deze analyse juist is.
De onlangs overleden Tony Judt maakt een andere analyse. De crisis in onze beschaving en democratie komt volgens hem door de afbrak van de verzorgingsstaat die sinds de jaren zeventig aan de gang is. Daardoor zouden het fatsoen en het vertrouwen in de samenleving verdwijnen. De solidariteit is uit onze samenleving verdwenen. In een samenleving waar we worden beschouwd als egoïstische individuen zullen we ons ook als zodanig gedragen. Het uiteindelijke resultaat lijkt sterk op het beeld dat Plato schetst. De oorzaak is bij Judt een andere. Het lijkt er op dat Marx gelijk had en er een klassenstrijd heeft plaatsgevonden. De rijken hebben hem gewonnen. Of Judt helemaal gelijk heeft weet ik niet, maar hij wijst zeker op een paar zeer wezenlijke problemen.
We hebben nu twee diagnoses die allebei verschillende oorzaken van de ziekte van onze democratie en beschaving vaststellen. Maakt dat nog een verschil uit voor de behandeling? Daar lijkt het wel op. Plato schrijft een paardenmiddel voor. Hij wil de democratie afschaffen en de staat laten leiden door koning-filosofen. Op deze wijze zou de beschaving gered kunnen worden. Het lijkt mij dat de patiënt aan de behandeling zou overlijden.
Judt lijkt niet echt goed te weten hoe de patiënt behandelt moet worden. We moeten van hem bozer zijn over wat we hebben verloren en het sociaal-democratische vertoog gebruiken als tegenwicht tegen het neo-liberalisme. Het is de vraag of dat zal helpen. Is de verzorgingsstaat nog wel te redden in een geglobaliseerde economie?
Het verhaal van Judt kan ook niet het hele verhaal zijn. De deplorabele toestand van onze beschaving en onze democratie kan niet allen te wijten zijn aan de afbraak van de verzorgingsstaat. Het gebrek aan solidariteit ging vooraf aan de afbraak van de verzorgingsstaat. De burger heeft vanaf het tijdperk van Reagan en Thatcher een duidelijke keuze gemaakt voor deze afbraak. Plato lijkt toch meer gelijk te krijgen dan Judt. De onversneden wijn der vrijheid heeft ons dronken gemaakt. Nu zitten we met de kater.
vrijdag 6 augustus 2010
De geboorte van de politiek bij de Grieken
Machtsuitoefening is zo oud als de mensheid. Volgens sommigen zien we dit ook al bij bijvoorbeeld chimpansees. Frans De Waal schreef een boek met de titel; 'Chimpansee politiek'. Voor velen staat politiek gelijk aan machtsuitoefening. Ik denk dat dit niet juist is. Volgens de filosoof Hannah Arendt verwijst politiek naar handelende mensen; discussiërende, elkaar overredende mensen die besluiten nemen om specifieke daden uit te voeren. Het op deze manier denken over politiek is bij de Grieken ontstaan. Bij de Grieken ontstond de politieke filosofie. Deze filosofie is onlosmakelijk verbonden met de politiek als zodanig.
Politiek heeft betrekking op een verband van mensen. Het gaat hier niet om om het even welk verband. We denken niet in eerste instantie aan families, sportclubs, verenigingen van postzegelverzamelaars, etc. We denken hierbij in eerste instantie aan de staat. Een 'verband' moet men volgens Berki als volgt definiëren; het is een groep of verzameling van menselijke individuen die niet alleen op een objectieve wijze aan elkaar zijn gerelateerd (zoals door biologische verwantschap), maar ook op een subjectieve wijze, in het bijzonder in die zin dat ze in staat zijn tot communicatie. Individuen die tot een verband behoren moeten weten wat voor betekenis ze aan elkaars taalgebruik hechten en wat alle mogelijke andere symbolen die ze gebruiken betekenen. Ten tweede moet een verband mensen verenigen die gemeenschappelijke belangen of doelen hebben. Ten derde moeten de leden van een verband de validiteit van bepaalde regels met betrekking tot gedrag accepteren. Ten vierde moet er een zekere rolverdeling zijn die er op letten dat de zaken van het verband goed verlopen. Dit kan gebeuren door een of door meerdere individuen. Het gaat ruwweg om degenen die regeren en degenen die geregeerd worden. Ten vijfde moet een verband een eigen 'karakter' hebben. Het gaat hierbij zowel om de doelen van een associatie als de bestaande regels, functies en lidmaatschap van een associatie. Een bedrijf zal winst willen maken. Dit gegeven opzich is echter niet voldoende om het karakter van een bedrijf te begrijpen. Hetzelfde geldt voor een verband als een staat. Bij Berki ligt de nadruk dus nogal op de staat. Politiek lijkt bij hem bij hem verder bij uitstek de kunst van het regeren. Er zijn andere manieren om na te denken over politiek. Hij staat daarbij in een traditie die teruggaat tot Aristoteles. Aristoteles schrijft in zijn politica;
' Onze eigen observatie verteld ons dat elke staat een verband van personen is met een visie op een of ander goed doel. Ik zeg 'goed' omdat mensen in hun handelen altijd streven naar datgene waarvan zij menen dat het goed is. Het is duidelijk dat waar alle verbanden naar het goede streven, er een is het hoogste goed is en die alle anderen omvat. Dat verband noemen we de Staat, en dat type verband noemen we politiek.
Volgens Arendt bestaan er twee fundamentele soorten van denken over politiek. Aan de ene kant kun je de politiek zien als regeren, als een vorm van overheersing door enkele mensen (een, een paar of veel) , wat dreiging met of gebruik van geweld nodig maakt. Maar aan de andere kant kun je over politiek denken als de organisatie of de constitutie van de macht die mensen hebben wanneer ze samenkomen als sprekende en handelende mensen. De de macht van mensen wordt beschermt door een regering die het volk vertegenwoordigt: potestas in populo. Ofwel' power to the people'. Deze vorm van regeren, en geen andere, noemen we democratie. De democratie is een uitvinding van de Grieken. De eerste democratie vinden we in Athene. Democratie betekent de macht van het volk. De Atheens democratie was geen democratie zoals we die tegenwoordig kennen. Vrouwen, slaven, vrijgelatenen en buitenlanders mochten niet meedoen. Het was wel een democratie in die zin dat alle vrije mannen mochten meedoen. De macht was niet meer in handen van een klein groepje aristocraten. Het was een revolutionaire ontwikkeling die samenhing met de opkomst van de stadstaten. Het woord politiek is afgeleid van het Griekse woord voor stadstaat; polis. In de stadstaat, de polis, kwam de politiek tot ontwikkeling. Voor de opkomst van de stadstaten leefden de Grieken in kleinere verbanden, de zogenaamde 'oikos'. Je moet hierbij denken aan een extended family onder leiding van een herenboer. Men leefde in een stam en clan verband. Dit is de wereld van Homerus.
De Grieken stonden niet helemaal alleen in deze ontwikkeling. Ook in Mesopotamië zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Er was daar sprake van stadstaten waar, volgens sommigen, een primitief soort democratie bestond. Toenemende rivaliteit tussen de stadstaten zou dar hebben geleid tot een krachtdadiger en sterker leiderschap. Dit leiderschap concentreerde zich rond de tempelpriester. Deze priester en oorlogsleider zou later zich ontwikkelen tot koning. De sterkste leider die alle andere stadstaten versloeg, zou koning worden. Het was een koningschap beladen met goddelijk gezag. Volgens Sumerische teksten was het koningschap uit de hemel neergedaald. De democratie in Mesopotamië was iets uit een lang vergeten verleden.
In Griekenland zou het anders gaan. Daar zou de democratie wel wortel schieten. Het ontstaan van de democratie ging geleidelijk. Het is moeilijk om een precies beginpunt aan te geven. Het begon in 683 voor Christus, toen het koningschap werd vervangen door het archontaat. De archonten zijn ambtsbekleders voor telkens een jaar. Een volgende mijlpaal volgt in 594 voor Christus als Solon archoon met dictatoriale volmachten wordt. Hij bevrijdt de boeren: de grondschulden en de lijfeigenschap worden opgeheven. Er wordt een maximum voor grondbezit vastgesteld. De macht van de adel wordt ingeperkt door het indelen van de grondebezittende burgers in vier klassen. Er ontstaat een timocratie (heerschappij van de bezittende klasse). Verder volgt er een muntherziening en een wordt het recht schriftelijk vastgelegd. Het streven was de emancipatie van de enkeling tot staatsburger en de bevordering van de handel en ambacht. Er volgt een periode van onrust en tyrannie. In 510 wordt de tyrannie omvergeworpen door Clisthenes. Vanaf dat moment kunnen we echt spreken van democratie. Vanaf dat moment geldt er gelijk recht voor alle staatsburgers. De burgerij wordt ingedeeld in 10 zogenaamde phylen. Deze zijn samengesteld uit een derde van de drie districten (stad, land, kust). Dit ging volgens een loting. Elke phyle stuurt 50 afgevaardigden naar de ' raad der vijfhonderd'. Dit lichaam behandelt voor een periode van 36 dagen de zaken der stad onder een gekozen, dagelijks wisselende voorzitter. Iedere burger neemt deel aan het staatsbestel. Dat de democratie geen vanzelfsprekendheid was en zich steeds weer moest verdedigen blijkt wel uit het feit dat Clisthenes in 508 voor Christus wordt verdreven door Sparta. In 507 keert Clisthenes al weer terug en daarmee de democratie. Sparta en Athene zouden altijd aartsvijanden blijven. Ze staan ook voor verschillende modellen waar de ideale staat aan zou moeten voldoen. Athene staat voor de open, democratische samenleving; Sparta staat voor de gesloten, autoritaire samenleving. Athene heeft een enorme bloeiperiode gekend. Athene werd een economische en militaire grootmacht in de regio en kende een ongekende culturele bloeiperiode. Athene was het culturele centrum van de Griekse cultuur in de klassieke tijd. Sparta was vooral een militaire grootmacht. Sparta heeft op cultureel gebied eigenlijk nooit iets te betekenen gehad. Het koningschap is in Sparta nooit afgeschaft. De mens werd er als individu niet gewaardeerd. De volwassen mannen moesten dagelijks verplicht deelnemen aan een gezamenlijke maaltijd. Er was nauwelijks contact met de buitenwereld. Geld en materieel bezit werd gewantrouwd en zoveel mogelijk ontmoedigd. Sparta heeft in veel opzichten altijd het karakter van een dorp behouden en heeft geen imposante bouwwerken nagelaten.
De grootste staatsman die Athene heeft voortgebracht is ongetwijfeld Pericles. In zijn lijkrede die hij hield ter nagedachtenis van de gesneuvelden van de Peloponesische oorlog (tegen Sparta) heeft hij het ideaal van de Atheense samenleving als geen ander onder woorden gebracht;
Wij hebben een staatsvorm, die niet een navolging is van de wetten van onze buren; neen, wij zijn veeleer zelf een voorbeeld voor menig ander, dan dat anderen ons tot voorbeeld strekken.
De naam van deze staatsvorm is volksregering (democratie), omdat invloed op staatszaken bij ons niet een recht is van weinigen, maar een recht van velen. In geschillen tussen burgers geldt voor allen gelijkheid voor de wetten en met de maatschappelijke beoordeling staat het zo: heeft iemand om iets een bijzonder aanzien, dan dankt hij een hogere onderscheiding in het openbare leven minder aan zijn afkomst dan aan zijn persoonlijke verdienste.
Armoede is geen schande; voor ieder, hoe arm ook, staat de mogelijkheid open, de gemeenschap te dienen... zo hij dat kan.
Vrij leven wij als burgers in onze gemeenschap en in het dagelijkse leven remmen wij elkaars gedragingen niet door spiedende argwaan, want wij zijn niet misnoegd over onze naaste, zo die zich eens buiten de conventies stelt; ja, zelfs onze blik, die wel niet straffen, maar toch pijnlijk steken kan, verraad daarover geen wrevel.
Zonder ergernis dus in onze persoonlijke omgang, begaan wij als staatsburgers, vooral uit diep ontzag, geen wetsovertreding, gehoorzamend aan de opeenvolgende overheden en aan de wetten, in het bijzonder (gehoorzamend) aan die wetten, welke gemaakt zijn tot steun voor hen die onrecht lijden en aan die (weliswaar) ongeschreven wetten, waarvan de overtreding door de openbare mening met schande wordt gebrandmerkt.
Bovendien hebben wij ook, en meer dan anderen, gezorgd voor ontspanning van de geest na de dagelijkse beslommeringen; enerzijds door het instellen van wedstrijden en godsdienstige feesten zonder onderbreking het hele jaar door, anderzijds door smaakvol gerief van onze huizen, waarvan het dagelijks genot alle kwellende gedachten verdrijft.
Alle idealen die wij verbinden met democratie zijn hier verwoord door Pericles; een regering door de meerderheid, gelijkheid voor de wet, aanzien op grond van verdienste en niet op grond van afkomst, de mogelijkheid om op te klimmen in de maatschappij ( wie voor een dubbeltje wordt geboren, kan in een democratie nog altij een kwartje worden), de vrijheid om te leven zoals je dat zelf wilt zolang je de vrijheid van anderen niet belemmert, een vertrouwen in de rechtsstaat en een scheiding van de private en de publieke ruimte(het smaakvol gerief van onze huizen). Met zijn opmerking over het smaakvol gerief van onze huizen lijkt Pericles zelfs vooruit te lopen op ons burgerlijk ideaal van onze samenleving, al zie ik deze oude Griek nog niet zo snel rondlopen bij Ikea.
Er zijn eigenlijk geen auteurs uit Sparta zelf waarmee we de idealen en de normen en waarden waarop de Spartaanse samenleving op is gebaseerd kunnen illustreren. Er waren echter genoeg bewonderaars van Sparta buiten Sparta. Een daarvan was Plutarchus. Hij leefde in een tijd dat Griekenland allang een provincie van het Romeinse rijk was geworden. Plutarchus leefde in de eerste eeuw na christus. In die tijd beleefde Sparta een renaissance.Vroegere gewoonten werden in ere hersteld en toeristen kwamen er een kijkje nemen. Uit het werk van Plutarchus wordt duidelijk dat de Spartanen een hekel aan welsprekendheid hadden. Het is geen wonder dat Sparta nooit een Pericles heeft voortgebracht. De grondwet van Sparta werd volgens de sage opgesteld door Lycurgus, maar was in werkelijkheid het gevolg van een eeuwenlange ontwikkeling. Sparta kende een dubbelkoningschap, een raad der Ouden (gerousia) en een legervergadering. Sparta vormde met de door haar onderworpen stadstaten de staat der Lakedaimoniërs. Sparta werd steeds meer militair van karakter en de latere koningen waren nog uitsluitend legeraanvoerders. Dit was het zogenaamde ephoraat. De ephoren worden in de tweede helft van de zesde eeuw de politieke leiders. De spartanen leven in mannengemeenschappen. De jongemannen tussen de veertien en twintig jaar oud worden door de staat opgevoed. De twintig tot dertig jarigen leven in de krijgsgemeenschap, de ouderen in de spijsgenootschappen (syssitia). De economie is gebaseerd op onoverdraagbare erfelijke landerijen die worden bewerkt door horige boeren (heloten). De heloten wordt jaarlijks de oorlog verklaard en ze worden in het geheim bewaakt (krypteia). De omwoners (Perioiken) hebben meer rechten,maar zijn wel verplicht tot krijgsdienst.
De minachting van de spartanen voor de welsprekendheid blijkt duidelijk uit het volgende citaat van Plutarchus;
De taal van mensen die steeds aan het woord willen zijn, bestaat uit holle frasen zonder enige betekenis, net zoals het zaad van seksueel onverzadigbare mannen bijna altijd onvruchtbaar is en ongeschikt voor de voortplanting.
Het doet denken aan Sarah Palin die president Obama aanvalt op zijn welsprekendheid en het heeft over 'all talk and no real action' en hem omschrijft als 'a guy with a teleprompter'. Het citaat van Plutarchus is onthullend. Het is voer voor psychologen. Uit dit citaat komt een bepaald ideaal van mannelijkheid naar voren.Bij Plutarchus zien we een merkwaardige koppeling van welbespraaktheid met seksualiteit. Echte mannen zijn mannen van weinig woorden. Een welbespraakte man is een slappeling zonder zelfbeheersing die zijn woorden laat stromen zoals zijn zaad. Aangezien een welbespraakte man een slappeling is kan hij dus geen goede leider zijn. Omgekeerd zijn mannen van weinig woorden die de taal van het volk spreken en het 'zeggen zoals het is' kennelijk krachtig en mannelijk en dus goede leiders. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat Sarah Palin ook denkt in deze trant. Palin ontbeert waarschijnlijk de intellectuele bagage om een bewonderaar van Sparta te zijn, maar ze is wel een aanhanger van de gesloten samenleving.
Sparta staat symbool voor deze gesloten samenleving. Popper noemt de gesloten samenleving ook wel de tribale samenleving. De aanhangers van de gesloten samenleving dromen van een oorspronkelijke, zuivere samenleving waar we naar terug zouden moeten gaan. Alles komt goed als we ons onderwerpen aan de tribale gewoontes, eeuwenoude wetten en tradities. Sparta was een samenleving die gebaseerd was op de waarden van de gesloten samenleving. Sparta had een heel eigen wijze om gehoor te geven aan de stem van het volk;
De verkiezing (van een lid voor de Raad der Ouden) verliep als volgt. Eerst kwam de Volksvergadering bijeen om mannen te kiezen die in een belendend vertrek werden opgesloten. Daar konden ze niet zien wat zich afspeelde, en waren ze zelf ook onzichtbaar. Alleen de kreten van het verzamelde volk drongen tot hun door. Zoals te doen gebruikelijk, werd ook nu weer bij acclamatie een keuze gemaakt uit de kandidaten, die niet allemaal tegelijk optraden, maar een voor een in een door het lot bepaalde volgorde (het gebouw van de volksvergadering) werden binnengebracht, en daar zinder een kik te geven op en neer door de menigte liepen. De mannen die in de ruimte zaten opgesloten, hadden schrijftabletten bij zich waarop ze de sterkte van het geschreeuw noteerden, zonder te weten voor welke persoon dat was bedoeld. Het enige wat ze hoorden, was of iemand de eerste, tweede of derde was van degenen die werden binnengebracht. Wie de meeste bijval kreeg werd benoemd.
Het had iets weg van een Idolsverkiezing waarbij de grootste schreeuwlelijken hun zin kregen. Het lijkt me geen gezonde basis voor een samenleving, al zijn er waarschijnlijk volksstammen die dit zien als het hoogste ideaal van democratie.
Sparta werd omdat het een gesloten samenleving was in hoge mate bewondert door Plato die een grote afkeer had van de democratie. Wat de samenleving nodig heeft is een sterke leider. In het geval van Plato een koning-filosoof. Voor Plato is een filosoof iemand die nieuwsgierig is naar en zicht heeft op de goddelijke wereld der Ideeën. Vanwege deze kwaliteiten kan hij de stichter van een deugdzame stad (polis) worden. ' De wijsgeer gaat met het goddelijke en het ordentelijke [om[ :zo wordt hij zelf ook ordelijk, en zelfs [...] goddelijk '. Een filosoof beschikt bij Plato over bijzondere gaven en inzichten die normale mensen niet hebben.
De meeste politici die uitgaan van de gedachte van de gesloten samenleving zullen tegenwoordig niet meer zo ver gaan als Plato. Wilders zal niet zo snel roepen dat hij een bijzonder inzicht heeft in een goddelijke werkelijkheid. Hij roept wel dat hij weet wat 'het volk' wil. Hij vertegenwoordigt de stem van 'het volk'. Als Wilders spreekt, dan spreekt hij namens 'het volk'. Hij weet precies wat 'het volk' denkt. Dat zou je ook wel een bijzonder inzicht kunnen noemen.
De gesloten samenleving wordt gedragen door een sterke leider en een stamgevoel. Bij Wilders vinden deze beide elementen terug. We zien bij Wilders ook voor de gesloten samenleving kenmerkende hang naar een geïdealiseerd verleden, lees het verkiezingsprogramma van de PVV er maar op na;
Nederlanders zijn een volk dat zijn gelijke niet kent. We zijn geboren uit een Opstand, een vrijheidsstrijd. Onze voorouders hebben een zompige moerasdelta omgevormd tot iets waar de hele wereld jaloers op is. Hier, achter de dijken, is een welvaart en een solidariteit bereikt die zijn gelijke niet kende, met vrijheid voor iedereen en met van oudsher een tolerantie tegen mensen die ook tolerant waren.
Het is ook duidelijk dat dit gedroomde Nederland een vijand heeft. Niet alleen de Islam is een vijand voor Wilders, de moderniteit is dat evenzeer;
Ondertussen bestaat bij velen het gevoel dat we Nederland aan het kwijtraken zijn. Wijk na wijk, straat na straat, school na school wordt geïslamiseerd. De massa-immigratie bereikt jaar op jaar een triest record en zal de komende jaren alleen nog maar verder exploderen. Criminaliteit tiert welig. Onze vlag wappert niet meer in vrijheid maar moet een vlag naast zich tolereren van een Europese superstaat.
Bij veel van de problemen die Nederland teisteren is de diagnose hetzelfde: elites zijn losgeslagen van de werkelijkheid en zijn op eigen houtje dingen gaan doen waar gewone mensen niet beter van worden. Onze elites hebben zich bekeerd tot de illusie dat alle culturen (en daaraan verbonden waarden) gelijk zijn. Alles moet kunnen. Er bestaat geen goed of kwaad, alle culturen zijn voor hen gelijk, de islam of het christendom, meisjesbesnijdenis, handen schudden of niet - wat maakt het uit.
Onze trots waar Nederlanders met overtuiging decennialang een gedeelte van hun salaris aan hebben overgemaakt, de verzorgingsstaat, is verworden tot een magneet voor gelukszoekers uit islamitische landen. Niet meer een schild voor de zwakken, maar een afhaalloket voor onevenredig veel lanterfantende moslimimmigranten. Henk en Ingrid betalen voor Ali en Fatima.
Een vergelijking met Hitler gaat niet helemaal op. Het is moeilijk om in Mein Kampf een lofzang op Duitsland te vinden die te vergelijken is met de lofzang van Wilders op Nederland. Hitler is veel meer bezig met het gevaar van de joden dan Wilders met het gevaar van de islam. De manier waar op Wilders te keer gaat tegen de 'elite' is tam vergeleken met de uitbarstingen van Hitler. Er is alle reden om behoedzaam te zijn om Wilders in het rechts-extremistische kamp te plaatsen. Populisten als Wilders zijn niet hetzelfde als de fascisten uit de twintigste eeuw. Toch moeten we waakzaam zijn We zien bij Wilders en andere populisten wel tendensen die we bij Hitler en andere fascisten ook hebben gezien. Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat de geschiedenis zich op een identieke manier zou herhalen en dat de vijand er precies hetzelfde uit zou zien. Dat zou te gemakkelijk zijn. Wilders hoeft niet op Hitler te lijken om gevaarlijk te zijn. Wilders is gevaarlijk omdat hij, als het er op aankomt, het ideaal van de gesloten samenleving vertegenwoordigt. Het collectivisme waar deze samenleving op draait is nooit ver weg; in onschuldige vorm als bijvoorbeeld de oranje-gekte, in kwaadaardige vorm als het populisme van figuren als Wilders.
Wat maakt de gesloten samenleving populair? Volgens Popper komt dat door wat hij de druk van de beschaving noemt. Het is een druk die onvermijdelijk is, maar die sommigen niet kunnen verdragen;
Deze druk, dit onbehagen is een gevolg van de ineenstorting van de gesloten samenleving. Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld, vooral in tijden van sociale verandering. Het is de druk die wordt veroorzaakt door de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen. We moeten, zo geloof ik, deze druk aanvaarden als de prijs die we betalen voor elke toename van kennis, van redelijkheid, van samenwerking en van wederzijdse steun, en dientengevolge van onze overlevingskansen,en ten slotte van de bevolkingsgroei. Het is de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.
Een van de inspanningen die de druk van de beschaving op ons leggen is de eis tot reflectie. Volgens Hannah Arendt komt het kwaad niet in de eerste plaats voort uit kwaadwillendheid, maar uit onnadenkendheid. Het grote voorbeeld van het kwaad dat voortkomt uit onnadenkendheid is wat haar betreft Adolf Eichmann;
Hij heeft er alleen maar nooit bij stilgestaan wat hij eigenlijk deed. [..] Hij was niet dom. Het was in zekere zin pure gedachteloosheid – iets heel anders dan domheid – die hem ervoor predisponeerde een van de grootste misdadigers van de mensheid te worden. En al mag het dan “banaal” zijn, of zelfs komisch, dat men met de beste wil van de wereld geen demonische kant aan hem kan ontdekken, “gewoon” is het daarom allerminst.
De Nazi's gelden nog altijd als het symbool van het kwaad. Voor velen vertegenwoordigen ze het radicale of absolute kwaad. De ellende is dat dit niet het geval is. Iemand als Eichmann vertegenwoordigt volgens Arendt de banaliteit van het kwaad. Eichmann was geen baarlijke duivel, maar een gewone, wat onbenullige man. Eichmann zou je buurman kunnen zijn. We zouden allemaal ten prooi kunnen vallen aan dit kwaad. Door onnadenkendheid. We moeten dus stil staan bij wat we doen. We moeten waakzaam zijn voor de gevaren die onze open, democratische samenleving bedreigen. We moeten er voor zorgen dat de misdaden die de gesloten samenleving kenmerken nooit meer kunnen plaatsvinden.
We staan voor een keuze; kiezen voor Sparta of kiezen we voor Athene? Kiezen we voor een open samenleving of voor een gesloten samenleving? Kiezen we voor de beschaving
of kiezen we voor het barbarendom? De keuze lijkt me helder. Laten we kiezen voor de beschaving en de barbarij nooit meer een kans geven.
Politiek heeft betrekking op een verband van mensen. Het gaat hier niet om om het even welk verband. We denken niet in eerste instantie aan families, sportclubs, verenigingen van postzegelverzamelaars, etc. We denken hierbij in eerste instantie aan de staat. Een 'verband' moet men volgens Berki als volgt definiëren; het is een groep of verzameling van menselijke individuen die niet alleen op een objectieve wijze aan elkaar zijn gerelateerd (zoals door biologische verwantschap), maar ook op een subjectieve wijze, in het bijzonder in die zin dat ze in staat zijn tot communicatie. Individuen die tot een verband behoren moeten weten wat voor betekenis ze aan elkaars taalgebruik hechten en wat alle mogelijke andere symbolen die ze gebruiken betekenen. Ten tweede moet een verband mensen verenigen die gemeenschappelijke belangen of doelen hebben. Ten derde moeten de leden van een verband de validiteit van bepaalde regels met betrekking tot gedrag accepteren. Ten vierde moet er een zekere rolverdeling zijn die er op letten dat de zaken van het verband goed verlopen. Dit kan gebeuren door een of door meerdere individuen. Het gaat ruwweg om degenen die regeren en degenen die geregeerd worden. Ten vijfde moet een verband een eigen 'karakter' hebben. Het gaat hierbij zowel om de doelen van een associatie als de bestaande regels, functies en lidmaatschap van een associatie. Een bedrijf zal winst willen maken. Dit gegeven opzich is echter niet voldoende om het karakter van een bedrijf te begrijpen. Hetzelfde geldt voor een verband als een staat. Bij Berki ligt de nadruk dus nogal op de staat. Politiek lijkt bij hem bij hem verder bij uitstek de kunst van het regeren. Er zijn andere manieren om na te denken over politiek. Hij staat daarbij in een traditie die teruggaat tot Aristoteles. Aristoteles schrijft in zijn politica;
' Onze eigen observatie verteld ons dat elke staat een verband van personen is met een visie op een of ander goed doel. Ik zeg 'goed' omdat mensen in hun handelen altijd streven naar datgene waarvan zij menen dat het goed is. Het is duidelijk dat waar alle verbanden naar het goede streven, er een is het hoogste goed is en die alle anderen omvat. Dat verband noemen we de Staat, en dat type verband noemen we politiek.
Volgens Arendt bestaan er twee fundamentele soorten van denken over politiek. Aan de ene kant kun je de politiek zien als regeren, als een vorm van overheersing door enkele mensen (een, een paar of veel) , wat dreiging met of gebruik van geweld nodig maakt. Maar aan de andere kant kun je over politiek denken als de organisatie of de constitutie van de macht die mensen hebben wanneer ze samenkomen als sprekende en handelende mensen. De de macht van mensen wordt beschermt door een regering die het volk vertegenwoordigt: potestas in populo. Ofwel' power to the people'. Deze vorm van regeren, en geen andere, noemen we democratie. De democratie is een uitvinding van de Grieken. De eerste democratie vinden we in Athene. Democratie betekent de macht van het volk. De Atheens democratie was geen democratie zoals we die tegenwoordig kennen. Vrouwen, slaven, vrijgelatenen en buitenlanders mochten niet meedoen. Het was wel een democratie in die zin dat alle vrije mannen mochten meedoen. De macht was niet meer in handen van een klein groepje aristocraten. Het was een revolutionaire ontwikkeling die samenhing met de opkomst van de stadstaten. Het woord politiek is afgeleid van het Griekse woord voor stadstaat; polis. In de stadstaat, de polis, kwam de politiek tot ontwikkeling. Voor de opkomst van de stadstaten leefden de Grieken in kleinere verbanden, de zogenaamde 'oikos'. Je moet hierbij denken aan een extended family onder leiding van een herenboer. Men leefde in een stam en clan verband. Dit is de wereld van Homerus.
De Grieken stonden niet helemaal alleen in deze ontwikkeling. Ook in Mesopotamië zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Er was daar sprake van stadstaten waar, volgens sommigen, een primitief soort democratie bestond. Toenemende rivaliteit tussen de stadstaten zou dar hebben geleid tot een krachtdadiger en sterker leiderschap. Dit leiderschap concentreerde zich rond de tempelpriester. Deze priester en oorlogsleider zou later zich ontwikkelen tot koning. De sterkste leider die alle andere stadstaten versloeg, zou koning worden. Het was een koningschap beladen met goddelijk gezag. Volgens Sumerische teksten was het koningschap uit de hemel neergedaald. De democratie in Mesopotamië was iets uit een lang vergeten verleden.
In Griekenland zou het anders gaan. Daar zou de democratie wel wortel schieten. Het ontstaan van de democratie ging geleidelijk. Het is moeilijk om een precies beginpunt aan te geven. Het begon in 683 voor Christus, toen het koningschap werd vervangen door het archontaat. De archonten zijn ambtsbekleders voor telkens een jaar. Een volgende mijlpaal volgt in 594 voor Christus als Solon archoon met dictatoriale volmachten wordt. Hij bevrijdt de boeren: de grondschulden en de lijfeigenschap worden opgeheven. Er wordt een maximum voor grondbezit vastgesteld. De macht van de adel wordt ingeperkt door het indelen van de grondebezittende burgers in vier klassen. Er ontstaat een timocratie (heerschappij van de bezittende klasse). Verder volgt er een muntherziening en een wordt het recht schriftelijk vastgelegd. Het streven was de emancipatie van de enkeling tot staatsburger en de bevordering van de handel en ambacht. Er volgt een periode van onrust en tyrannie. In 510 wordt de tyrannie omvergeworpen door Clisthenes. Vanaf dat moment kunnen we echt spreken van democratie. Vanaf dat moment geldt er gelijk recht voor alle staatsburgers. De burgerij wordt ingedeeld in 10 zogenaamde phylen. Deze zijn samengesteld uit een derde van de drie districten (stad, land, kust). Dit ging volgens een loting. Elke phyle stuurt 50 afgevaardigden naar de ' raad der vijfhonderd'. Dit lichaam behandelt voor een periode van 36 dagen de zaken der stad onder een gekozen, dagelijks wisselende voorzitter. Iedere burger neemt deel aan het staatsbestel. Dat de democratie geen vanzelfsprekendheid was en zich steeds weer moest verdedigen blijkt wel uit het feit dat Clisthenes in 508 voor Christus wordt verdreven door Sparta. In 507 keert Clisthenes al weer terug en daarmee de democratie. Sparta en Athene zouden altijd aartsvijanden blijven. Ze staan ook voor verschillende modellen waar de ideale staat aan zou moeten voldoen. Athene staat voor de open, democratische samenleving; Sparta staat voor de gesloten, autoritaire samenleving. Athene heeft een enorme bloeiperiode gekend. Athene werd een economische en militaire grootmacht in de regio en kende een ongekende culturele bloeiperiode. Athene was het culturele centrum van de Griekse cultuur in de klassieke tijd. Sparta was vooral een militaire grootmacht. Sparta heeft op cultureel gebied eigenlijk nooit iets te betekenen gehad. Het koningschap is in Sparta nooit afgeschaft. De mens werd er als individu niet gewaardeerd. De volwassen mannen moesten dagelijks verplicht deelnemen aan een gezamenlijke maaltijd. Er was nauwelijks contact met de buitenwereld. Geld en materieel bezit werd gewantrouwd en zoveel mogelijk ontmoedigd. Sparta heeft in veel opzichten altijd het karakter van een dorp behouden en heeft geen imposante bouwwerken nagelaten.
De grootste staatsman die Athene heeft voortgebracht is ongetwijfeld Pericles. In zijn lijkrede die hij hield ter nagedachtenis van de gesneuvelden van de Peloponesische oorlog (tegen Sparta) heeft hij het ideaal van de Atheense samenleving als geen ander onder woorden gebracht;
Wij hebben een staatsvorm, die niet een navolging is van de wetten van onze buren; neen, wij zijn veeleer zelf een voorbeeld voor menig ander, dan dat anderen ons tot voorbeeld strekken.
De naam van deze staatsvorm is volksregering (democratie), omdat invloed op staatszaken bij ons niet een recht is van weinigen, maar een recht van velen. In geschillen tussen burgers geldt voor allen gelijkheid voor de wetten en met de maatschappelijke beoordeling staat het zo: heeft iemand om iets een bijzonder aanzien, dan dankt hij een hogere onderscheiding in het openbare leven minder aan zijn afkomst dan aan zijn persoonlijke verdienste.
Armoede is geen schande; voor ieder, hoe arm ook, staat de mogelijkheid open, de gemeenschap te dienen... zo hij dat kan.
Vrij leven wij als burgers in onze gemeenschap en in het dagelijkse leven remmen wij elkaars gedragingen niet door spiedende argwaan, want wij zijn niet misnoegd over onze naaste, zo die zich eens buiten de conventies stelt; ja, zelfs onze blik, die wel niet straffen, maar toch pijnlijk steken kan, verraad daarover geen wrevel.
Zonder ergernis dus in onze persoonlijke omgang, begaan wij als staatsburgers, vooral uit diep ontzag, geen wetsovertreding, gehoorzamend aan de opeenvolgende overheden en aan de wetten, in het bijzonder (gehoorzamend) aan die wetten, welke gemaakt zijn tot steun voor hen die onrecht lijden en aan die (weliswaar) ongeschreven wetten, waarvan de overtreding door de openbare mening met schande wordt gebrandmerkt.
Bovendien hebben wij ook, en meer dan anderen, gezorgd voor ontspanning van de geest na de dagelijkse beslommeringen; enerzijds door het instellen van wedstrijden en godsdienstige feesten zonder onderbreking het hele jaar door, anderzijds door smaakvol gerief van onze huizen, waarvan het dagelijks genot alle kwellende gedachten verdrijft.
Alle idealen die wij verbinden met democratie zijn hier verwoord door Pericles; een regering door de meerderheid, gelijkheid voor de wet, aanzien op grond van verdienste en niet op grond van afkomst, de mogelijkheid om op te klimmen in de maatschappij ( wie voor een dubbeltje wordt geboren, kan in een democratie nog altij een kwartje worden), de vrijheid om te leven zoals je dat zelf wilt zolang je de vrijheid van anderen niet belemmert, een vertrouwen in de rechtsstaat en een scheiding van de private en de publieke ruimte(het smaakvol gerief van onze huizen). Met zijn opmerking over het smaakvol gerief van onze huizen lijkt Pericles zelfs vooruit te lopen op ons burgerlijk ideaal van onze samenleving, al zie ik deze oude Griek nog niet zo snel rondlopen bij Ikea.
Er zijn eigenlijk geen auteurs uit Sparta zelf waarmee we de idealen en de normen en waarden waarop de Spartaanse samenleving op is gebaseerd kunnen illustreren. Er waren echter genoeg bewonderaars van Sparta buiten Sparta. Een daarvan was Plutarchus. Hij leefde in een tijd dat Griekenland allang een provincie van het Romeinse rijk was geworden. Plutarchus leefde in de eerste eeuw na christus. In die tijd beleefde Sparta een renaissance.Vroegere gewoonten werden in ere hersteld en toeristen kwamen er een kijkje nemen. Uit het werk van Plutarchus wordt duidelijk dat de Spartanen een hekel aan welsprekendheid hadden. Het is geen wonder dat Sparta nooit een Pericles heeft voortgebracht. De grondwet van Sparta werd volgens de sage opgesteld door Lycurgus, maar was in werkelijkheid het gevolg van een eeuwenlange ontwikkeling. Sparta kende een dubbelkoningschap, een raad der Ouden (gerousia) en een legervergadering. Sparta vormde met de door haar onderworpen stadstaten de staat der Lakedaimoniërs. Sparta werd steeds meer militair van karakter en de latere koningen waren nog uitsluitend legeraanvoerders. Dit was het zogenaamde ephoraat. De ephoren worden in de tweede helft van de zesde eeuw de politieke leiders. De spartanen leven in mannengemeenschappen. De jongemannen tussen de veertien en twintig jaar oud worden door de staat opgevoed. De twintig tot dertig jarigen leven in de krijgsgemeenschap, de ouderen in de spijsgenootschappen (syssitia). De economie is gebaseerd op onoverdraagbare erfelijke landerijen die worden bewerkt door horige boeren (heloten). De heloten wordt jaarlijks de oorlog verklaard en ze worden in het geheim bewaakt (krypteia). De omwoners (Perioiken) hebben meer rechten,maar zijn wel verplicht tot krijgsdienst.
De minachting van de spartanen voor de welsprekendheid blijkt duidelijk uit het volgende citaat van Plutarchus;
De taal van mensen die steeds aan het woord willen zijn, bestaat uit holle frasen zonder enige betekenis, net zoals het zaad van seksueel onverzadigbare mannen bijna altijd onvruchtbaar is en ongeschikt voor de voortplanting.
Het doet denken aan Sarah Palin die president Obama aanvalt op zijn welsprekendheid en het heeft over 'all talk and no real action' en hem omschrijft als 'a guy with a teleprompter'. Het citaat van Plutarchus is onthullend. Het is voer voor psychologen. Uit dit citaat komt een bepaald ideaal van mannelijkheid naar voren.Bij Plutarchus zien we een merkwaardige koppeling van welbespraaktheid met seksualiteit. Echte mannen zijn mannen van weinig woorden. Een welbespraakte man is een slappeling zonder zelfbeheersing die zijn woorden laat stromen zoals zijn zaad. Aangezien een welbespraakte man een slappeling is kan hij dus geen goede leider zijn. Omgekeerd zijn mannen van weinig woorden die de taal van het volk spreken en het 'zeggen zoals het is' kennelijk krachtig en mannelijk en dus goede leiders. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat Sarah Palin ook denkt in deze trant. Palin ontbeert waarschijnlijk de intellectuele bagage om een bewonderaar van Sparta te zijn, maar ze is wel een aanhanger van de gesloten samenleving.
Sparta staat symbool voor deze gesloten samenleving. Popper noemt de gesloten samenleving ook wel de tribale samenleving. De aanhangers van de gesloten samenleving dromen van een oorspronkelijke, zuivere samenleving waar we naar terug zouden moeten gaan. Alles komt goed als we ons onderwerpen aan de tribale gewoontes, eeuwenoude wetten en tradities. Sparta was een samenleving die gebaseerd was op de waarden van de gesloten samenleving. Sparta had een heel eigen wijze om gehoor te geven aan de stem van het volk;
De verkiezing (van een lid voor de Raad der Ouden) verliep als volgt. Eerst kwam de Volksvergadering bijeen om mannen te kiezen die in een belendend vertrek werden opgesloten. Daar konden ze niet zien wat zich afspeelde, en waren ze zelf ook onzichtbaar. Alleen de kreten van het verzamelde volk drongen tot hun door. Zoals te doen gebruikelijk, werd ook nu weer bij acclamatie een keuze gemaakt uit de kandidaten, die niet allemaal tegelijk optraden, maar een voor een in een door het lot bepaalde volgorde (het gebouw van de volksvergadering) werden binnengebracht, en daar zinder een kik te geven op en neer door de menigte liepen. De mannen die in de ruimte zaten opgesloten, hadden schrijftabletten bij zich waarop ze de sterkte van het geschreeuw noteerden, zonder te weten voor welke persoon dat was bedoeld. Het enige wat ze hoorden, was of iemand de eerste, tweede of derde was van degenen die werden binnengebracht. Wie de meeste bijval kreeg werd benoemd.
Het had iets weg van een Idolsverkiezing waarbij de grootste schreeuwlelijken hun zin kregen. Het lijkt me geen gezonde basis voor een samenleving, al zijn er waarschijnlijk volksstammen die dit zien als het hoogste ideaal van democratie.
Sparta werd omdat het een gesloten samenleving was in hoge mate bewondert door Plato die een grote afkeer had van de democratie. Wat de samenleving nodig heeft is een sterke leider. In het geval van Plato een koning-filosoof. Voor Plato is een filosoof iemand die nieuwsgierig is naar en zicht heeft op de goddelijke wereld der Ideeën. Vanwege deze kwaliteiten kan hij de stichter van een deugdzame stad (polis) worden. ' De wijsgeer gaat met het goddelijke en het ordentelijke [om[ :zo wordt hij zelf ook ordelijk, en zelfs [...] goddelijk '. Een filosoof beschikt bij Plato over bijzondere gaven en inzichten die normale mensen niet hebben.
De meeste politici die uitgaan van de gedachte van de gesloten samenleving zullen tegenwoordig niet meer zo ver gaan als Plato. Wilders zal niet zo snel roepen dat hij een bijzonder inzicht heeft in een goddelijke werkelijkheid. Hij roept wel dat hij weet wat 'het volk' wil. Hij vertegenwoordigt de stem van 'het volk'. Als Wilders spreekt, dan spreekt hij namens 'het volk'. Hij weet precies wat 'het volk' denkt. Dat zou je ook wel een bijzonder inzicht kunnen noemen.
De gesloten samenleving wordt gedragen door een sterke leider en een stamgevoel. Bij Wilders vinden deze beide elementen terug. We zien bij Wilders ook voor de gesloten samenleving kenmerkende hang naar een geïdealiseerd verleden, lees het verkiezingsprogramma van de PVV er maar op na;
Nederlanders zijn een volk dat zijn gelijke niet kent. We zijn geboren uit een Opstand, een vrijheidsstrijd. Onze voorouders hebben een zompige moerasdelta omgevormd tot iets waar de hele wereld jaloers op is. Hier, achter de dijken, is een welvaart en een solidariteit bereikt die zijn gelijke niet kende, met vrijheid voor iedereen en met van oudsher een tolerantie tegen mensen die ook tolerant waren.
Het is ook duidelijk dat dit gedroomde Nederland een vijand heeft. Niet alleen de Islam is een vijand voor Wilders, de moderniteit is dat evenzeer;
Ondertussen bestaat bij velen het gevoel dat we Nederland aan het kwijtraken zijn. Wijk na wijk, straat na straat, school na school wordt geïslamiseerd. De massa-immigratie bereikt jaar op jaar een triest record en zal de komende jaren alleen nog maar verder exploderen. Criminaliteit tiert welig. Onze vlag wappert niet meer in vrijheid maar moet een vlag naast zich tolereren van een Europese superstaat.
Bij veel van de problemen die Nederland teisteren is de diagnose hetzelfde: elites zijn losgeslagen van de werkelijkheid en zijn op eigen houtje dingen gaan doen waar gewone mensen niet beter van worden. Onze elites hebben zich bekeerd tot de illusie dat alle culturen (en daaraan verbonden waarden) gelijk zijn. Alles moet kunnen. Er bestaat geen goed of kwaad, alle culturen zijn voor hen gelijk, de islam of het christendom, meisjesbesnijdenis, handen schudden of niet - wat maakt het uit.
Onze trots waar Nederlanders met overtuiging decennialang een gedeelte van hun salaris aan hebben overgemaakt, de verzorgingsstaat, is verworden tot een magneet voor gelukszoekers uit islamitische landen. Niet meer een schild voor de zwakken, maar een afhaalloket voor onevenredig veel lanterfantende moslimimmigranten. Henk en Ingrid betalen voor Ali en Fatima.
Een vergelijking met Hitler gaat niet helemaal op. Het is moeilijk om in Mein Kampf een lofzang op Duitsland te vinden die te vergelijken is met de lofzang van Wilders op Nederland. Hitler is veel meer bezig met het gevaar van de joden dan Wilders met het gevaar van de islam. De manier waar op Wilders te keer gaat tegen de 'elite' is tam vergeleken met de uitbarstingen van Hitler. Er is alle reden om behoedzaam te zijn om Wilders in het rechts-extremistische kamp te plaatsen. Populisten als Wilders zijn niet hetzelfde als de fascisten uit de twintigste eeuw. Toch moeten we waakzaam zijn We zien bij Wilders en andere populisten wel tendensen die we bij Hitler en andere fascisten ook hebben gezien. Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat de geschiedenis zich op een identieke manier zou herhalen en dat de vijand er precies hetzelfde uit zou zien. Dat zou te gemakkelijk zijn. Wilders hoeft niet op Hitler te lijken om gevaarlijk te zijn. Wilders is gevaarlijk omdat hij, als het er op aankomt, het ideaal van de gesloten samenleving vertegenwoordigt. Het collectivisme waar deze samenleving op draait is nooit ver weg; in onschuldige vorm als bijvoorbeeld de oranje-gekte, in kwaadaardige vorm als het populisme van figuren als Wilders.
Wat maakt de gesloten samenleving populair? Volgens Popper komt dat door wat hij de druk van de beschaving noemt. Het is een druk die onvermijdelijk is, maar die sommigen niet kunnen verdragen;
Deze druk, dit onbehagen is een gevolg van de ineenstorting van de gesloten samenleving. Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld, vooral in tijden van sociale verandering. Het is de druk die wordt veroorzaakt door de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen. We moeten, zo geloof ik, deze druk aanvaarden als de prijs die we betalen voor elke toename van kennis, van redelijkheid, van samenwerking en van wederzijdse steun, en dientengevolge van onze overlevingskansen,en ten slotte van de bevolkingsgroei. Het is de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.
Een van de inspanningen die de druk van de beschaving op ons leggen is de eis tot reflectie. Volgens Hannah Arendt komt het kwaad niet in de eerste plaats voort uit kwaadwillendheid, maar uit onnadenkendheid. Het grote voorbeeld van het kwaad dat voortkomt uit onnadenkendheid is wat haar betreft Adolf Eichmann;
Hij heeft er alleen maar nooit bij stilgestaan wat hij eigenlijk deed. [..] Hij was niet dom. Het was in zekere zin pure gedachteloosheid – iets heel anders dan domheid – die hem ervoor predisponeerde een van de grootste misdadigers van de mensheid te worden. En al mag het dan “banaal” zijn, of zelfs komisch, dat men met de beste wil van de wereld geen demonische kant aan hem kan ontdekken, “gewoon” is het daarom allerminst.
De Nazi's gelden nog altijd als het symbool van het kwaad. Voor velen vertegenwoordigen ze het radicale of absolute kwaad. De ellende is dat dit niet het geval is. Iemand als Eichmann vertegenwoordigt volgens Arendt de banaliteit van het kwaad. Eichmann was geen baarlijke duivel, maar een gewone, wat onbenullige man. Eichmann zou je buurman kunnen zijn. We zouden allemaal ten prooi kunnen vallen aan dit kwaad. Door onnadenkendheid. We moeten dus stil staan bij wat we doen. We moeten waakzaam zijn voor de gevaren die onze open, democratische samenleving bedreigen. We moeten er voor zorgen dat de misdaden die de gesloten samenleving kenmerken nooit meer kunnen plaatsvinden.
We staan voor een keuze; kiezen voor Sparta of kiezen we voor Athene? Kiezen we voor een open samenleving of voor een gesloten samenleving? Kiezen we voor de beschaving
of kiezen we voor het barbarendom? De keuze lijkt me helder. Laten we kiezen voor de beschaving en de barbarij nooit meer een kans geven.
dinsdag 8 juni 2010
Protest in de polder
De gemeente Teylingen ia enige tijd geleden met het onzalige plan gekomen om in de Broek en Simontjes polder een jachthaven aan te leggen. Deze polder is een uniek stukje groen. Het is een geliefde plek bij inwoners van de Merenwijk om er een ommetje te maken. Ook ik mag dat graag doen. Als de jachthaven er komt is dit niet meer mogelijk. Bij veel Merenwijkers heeft dit plan kwaad bloed gezet. Er wordt massaal tegen deze jachthaven geprotesteerd. De wijk hangt vol met affiches, er worden handtekeningen opgehaald en er wordt flink gelobbyd. Afgelopen zondag was er een demonstratie tegen deze jachthaven die druk werd bezocht. Op een gegeven moment werd er omgeroepen dat er 1600 mensen aanwezig waren. Op dat moment waren er nog mensen op weg naar de demonstratie dus het kunnen er alleen nog maar meer zijn geworden. Het is duidelijk dat men geen aantasting van het groen wil en men prijs stelt op een rustige ruimte om een ommetje te maken. Met de komst van de geplande jachthaven zou het met der rust en het groen zijn gedaan. We zouden niet alleen te maken krijgen met de drukte van de jachthaven zelf, er zou ook nog een weg ten bate van deze jachthaven worden aangelegd. De voorstanders zeggen dat deze jachthaven nodig is omdat er anders niet genoeg ligplaatsen voor de plezierjachten zouden zijn. De vraag is of er ooit genoeg ligplaatsen voor alle plezierjachten zouden zijn in dit waterrecreatiegebied. Er zal altijd een tekort aan ligplaatsen zijn. Een uitbreiding van het aantal ligplaatsen is op zich wenselijk, maar niet hier. Gelukkig zien niet alleen de inwoners van de Merenwijk dit zo. De gemeente Leiden heeft zich al uitgesproken tegen deze plannen, en tijdens de demonstratie bleek, bij monde van afgevaardigde Ron Hillebrand, de provincie ook zo goed als om. Dit bericht werd met gejuich ontvangen. De champagneflessen moet voorlopig nog even blijven staan tot het besluit definitief van de baan is. Je weet het maar immers nooit in de politiek. Er is echter voldoende reden om voorzichtig optimistisch te zijn. De demonstratie liet bij mij een goed gevoel achter. De sfeer was gemoedelijk, maar vastberaden. Je zag mensen met alle mogelijke achtergronden door elkaar lopen. Er waren veel mensen met jonge kinderen en met honden. Dit zijn de mensen die graag een ommetje maken in de polder. Deze mensen demonstreren normaal gesproken nooit maar nu wel. De mensen lieten zich van hun beste kant zien. Ze lieten duidelijk zien wat burgerschap is. Het laat zien dat mensen heus wel betrokken zijn als het maar duidelijk is wat er op het spel staat, en ze het gevoel hebben er iets aan te kunnen doen.
vrijdag 26 februari 2010
Waarom ik op 3 maart niet op GroenLinks stem
In 2006 heb ik op GroenLinks gestemd, zoals ik dat altijd deed. Deze keer zal ik dat beslist niet doen. De maat is vol. Er zijn voor mij twee doorslaggevende redenen om niet op GroenLinks te stemmen. De eerste heeft betrekking op de RijnGouweLijn. Ik heb op zich niets tegen deze lightrailverbinding. Sterker nog, ik ben er een voorstander van. Van mij had de RijnGouwelijn zelfs door de Breestraat mogen rijden. Bij het referendum heb ik voor gestemd. De meerderheid van de kiezers dacht er echter anders over. We hebben het hier over een ruime meerderheid van bijna 70%. Er lag dus een duidelijke uitspraak van de kiezer die niet zomaar genegeerd kan worden. Het college van B en W, waar GroenLinks deel van uitmaakt, deed dat echter wel. Dat is onacceptabel. De tweede reden is het drama rond de Vrijplaats Koppenhinksteeg. Vandaag is de Vrijplaats ontruimt om bijna voor niet weggegeven te worden aan de vastgoed-maffia. Het college dat na de verkiezingen was gevormd, had met de Vrijplaats afgesproken dat de Vrijplaats zou worden gelegaliseerd. GroenLinks maakte deel uit van dit college dat verder bestond uit PvdA,ChristenUnie en SP. Dit college hield, met dank aan de SP, niet lang stand. In december 2007 werd er een college gevormd met de PvdA, de VVD, het CDA en natuurlijk weer GroenLinks. Een nieuw college, een nieuw geluid. GroenLinks floot vrolijk mee, al was de toon volstrekt anders en klonk hij een beetje vals. Een kniesoor die daar op let. Zolang je maar op het pluche zit is er toch niets aan de hand? In dit nieuwe college zagen de VVD en het CDA hun kans schoon om eindelijk eens af te rekenen met dat vervelende krakerstuig van de Koppenhinksteeg. Dat er een bindende afspraak lag was lastig, maar deed niet ter zake. Je verzint een reden waarom je die afspraak niet na kunt komen, en je gooit de afspraak gewoon in de papierversnipperaar. GroenLinks is hier gewoon in meegegaan. Het zijn twee voorbeelden van bestuurlijke onbetrouwbaarheid. Het vertrouwen van de burger in de politiek kan hier alleen maar door geschaad worden. Dat is een slechte zaak die iedereen die de democratie een warm hart toedraagt zorgen zou moeten baren. Mijn vertrouwen in de GroenLinks afdeling Leiden is door deze zaken volledig verdwenen. GroenLinks heeft mijn vertrouwen beschaamt. Dit is niet waar ik GroenLinks als kiezer mijn mandaat voor heb gegeven. Deze keer gaat mijn stem naar D66. Er moet heel wat gebeuren voordat GroenLinks Leiden mijn vertrouwen weer terug heeft.
dinsdag 24 november 2009
De mallemolen van de thuiszorg
Ik had vandaag een gesprek met mijn alfahulp toen ze bezig was met mijn huishouden. Of ik al wist dat het niet zeker was dat ik na 1 januari hulp van haar zou krijgen. Dat wist ik. Onlangs heb ik weer een brief gekregen van mijn thuiszorgorganisatie waarin ik er op gewezen werd dat de jaarlijkse veiling op de thuiszorgmarkt weer zou gaan plaatsvinden. Elk jaar weer moeten thuiszorgorganisaties een aanbod doen. De gemeente kiest dan voor de organisatie met de laagste prijs. Als klant mag je een voorkeur uitbrengen, maar dat wil niet zeggen dat je de organisatie van jouw voorkeur ook krijgt. Als je niets aangeeft dan weet je dat er zeker geen rekening wordt gehouden met je voorkeur. Ik zou het jammer vinden als ik mijn huidige hulp zou kwijtraken want ik ben erg tevreden over haar. Je weet nooit wat je er voor terugkrijgt. De kans dat je een werkstudent krijgt die niet weet hoe je een huis moet schoonmaken is erg groot.Bovendien heb ik al meer verschillende mensen over de vloer gehad dan me lief is. Je moet toch een vreemde toelaten in je privesfeer. De kwaliteit van de verschillende thuiszorgorganisaties loopt niet erg uiteen. Die is over de hele linie slecht. Een veiling is wat dat betreft niet nodig. Sterker nog; de slechte kwaliteit van de thuiszorgorganisaties wordt veroorzaakt door het veilingssysteem. Dit drukt de prijzen, waardoor de thuiszorgorganiaties niet de kwaliteit kunnen leveren die nodig is. Ze moeten wel slecht betalen, waardoor ze grote moeite hebben om aan personeel te komen,laat staan aan bekwaam personeel. De marktwerking in de thuiszorg werkt niet! Het wordt hoog tijd voor een ander systeem.
donderdag 18 september 2008
VVD op de bres voor staand bier drinken

[Zittend een biertje drinken mag nog altijd. Foto ANP/Marcel Antonisse]
Zittend een biertje drinken mag nog altijd. Foto ANP/Marcel Antonisse
AMSTERDAM - Staand een biertje drinken op een terras? In Amsterdam mag dat volgens de regels niet. De VVD in de hoofdstad vindt dat onbegrijpelijk en wil er wat aan doen. Dat maakte de partij woensdag bekend.
De liberalen gaan dit najaar voorstellen de algemene plaatselijke verordening (apv) te wijzigen. Daarin staat namelijk dat het niet is toegestaan drank te verstrekken aan mensen die geen gebruik maken van de zitplaatsen op een terras.
''Het moet niet gekker worden'', aldus gemeenteraadslid Bas van 't Wout. ''Nu gaat de gemeentelijke overheid bepalen dat ik op een terrasje moet gaan zitten en niet meer mag staan. Als er overlast is, is het een ander verhaal. Maar dit is te gek voor woorden.''
Volgens de VVD schieten bestuurders door bij het handhaven en is er sprake van ''onredelijke handhavingdrift''. De partij stelt dat sinds het rookverbod in de horeca veel cafébezoekers buiten staan zonder dat dit overlast veroorzaakt. Bovendien is het voor ondernemers niet te doen om continu in de gaten te houden of iedereen wel netjes in zijn stoel zit, aldus de liberalen. (ANP)
In navolging van TON die het sinterklaasfeest tot topprioriteit heeft gesteld en de Partij voor de Dieren die zich druk maakt om de vissenkom heeft de VVD nu ook ontdekt waartoe zij hier op deze aarde is.
zondag 7 september 2008
Obama Might Pursue Criminal Charges Against Bush Administration Biden says criminal violations will be pursued

by Elana Schor
Democratic vice-presidential nominee Joe Biden said yesterday that he and running mate Barack Obama could pursue criminal charges against the Bush administration if they are elected in November.
[US Democratic presidential nominee Senator Barack Obama (D-IL) is introduced at a rally by his running mate Senator Joe Biden (D-DE) in Dublin, Ohio, August 30, 2008. Biden said yesterday that he and Barack Obama could pursue criminal charges against the Bush administration if they are elected in November.(REUTERS/Matt Sullivan)]US Democratic presidential nominee Senator Barack Obama (D-IL) is introduced at a rally by his running mate Senator Joe Biden (D-DE) in Dublin, Ohio, August 30, 2008. Biden said yesterday that he and Barack Obama could pursue criminal charges against the Bush administration if they are elected in November.(REUTERS/Matt Sullivan)
Biden's comments, first reported by ABC news, attracted little notice on a day dominated by the drama surrounding his Republican counterpart, Alaska governor Sarah Palin.
But his statements represent the Democrats' strongest vow so far this year to investigate alleged misdeeds committed during the Bush years.
"If there has been a basis upon which you can pursue someone for a criminal violation, they will be pursued," Biden said during a campaign event in Deerfield Beach, Florida, according to ABC.
"[N]ot out of vengeance, not out of retribution," he added, "out of the need to preserve the notion that no one, no attorney general, no president -- no one is above the law."
Obama sounded a similar note in April, vowing that if elected, he would ask his attorney general to initiate a prompt review of Bush-era actions to distinguish between possible "genuine crimes" and "really bad policies".
"[I]f crimes have been committed, they should be investigated," Obama told the Philadelphia Daily News. "You're also right that I would not want my first term consumed by what was perceived on the part of Republicans as a partisan witch hunt, because I think we've got too many problems we've got to solve."
Congressional Democrats have issued a flurry of subpoenas this year to senior Bush administration aides as part of a broad inquiry into the authorisation of torturous interrogation tactics used at the Guantanamo Bay prison camp.
Three veterans of the Bush White House have been held in criminal contempt of Congress for refusing to respond to subpoenas: former counsel Harriet Miers, former political adviser Karl Rove, and current chief of staff Josh Bolten. The contempt battle is currently before a federal court.
© 2008 Guardian News and Media Limited
The Anti-Obama Hate-Fest

by Robert Parry
The Republican Party, which has defined modern-day negative politics, was back at it again, bashing Barack Obama and the news media in an ugly display that rivaled the old days of Nixon-Agnew - or George W. Bush's last convention where GOP operatives passed out "Purple Heart Band-Aids" to mock John Kerry's war wounds.
After a slow start because of Hurricane Gustav, the convention in St. Paul, Minnesota, has turned into an anti-Obama hate-fest with a nearly all-white gathering laughing at and mocking the nation's first African-American presidential nominee of a major party.
However, beyond the pulsating contempt visible on the faces of the GOP delegates, many of the nasty attacks on Obama - as well as the effusive praise for the Republican ticket - were blatantly false, as if testing the depths of American gullibility and bigotry.
In speech after speech, Republicans didn't so much as tell the Big Lie as they deployed Wholesale Lies.
The Associated Press, which mostly had been recycling the Republican spin about the supposedly "maverick" ticket of John McCain and Sarah Palin, was so struck by the litany of distortions that the AP produced a special fact-checking article describing how Republicans had "stretched the truth."
For instance, Palin said about Obama, "it's easy to forget that this is a man who has authored two memoirs but not a single major law or reform - not even in the state senate."
However, as the AP noted, Obama "worked with Republicans to pass legislation that expanded efforts to intercept illegal shipments of weapons of mass destruction and to help destroy conventional weapons stockpiles. The legislation became law last year."
Plus, the AP reported, "In Illinois, he was the leader on two big, contentious measures in Illinois: studying racial profiling by police and requiring recordings of interrogations in potential death penalty cases. He also successfully co-sponsored major ethics reform legislation."
The AP's fact-checking article noted, too, that former Arkansas Gov. Mike Huckabee's slap at Democratic vice presidential nominee Joe Biden - that Palin "got more votes running for mayor of Wasilla, Alaska, than Joe Biden got running for president of the United States" - was a "whopper."
The AP wrote that "Palin got 616 votes in the 1996 mayor's election, and got 909 in her 1999 re-election race, for a total of 1,525. Biden dropped out of the race after the Iowa caucuses, but he still got 76,165 votes in 23 states and the District of Columbia where he was on the ballot during the 2008 presidential primaries."
Parallel Reality
The Republican National Convention also acted as if the Republicans had not controlled the White House for the past eight years and the Congress for most of that time.
"We need change, all right," declared former Massachusetts Gov. Mitt Romney, "change from a liberal Washington to a conservative Washington! We have a prescription for every American who wants change in Washington - throw out the big-government liberals, and elect John McCain and Sarah Palin."
Beyond this parallel universe of who runs Washington, there was fanciful puffery about the GOP "reformer" ticket - dubbed "maverick squared" - that doesn't square with reality at all.
For instance, the AP cited Palin's claim that "I have protected the taxpayers by vetoing wasteful spending ... and championed reform to end the abuses of earmark spending by Congress. I told the Congress 'thanks but no thanks' for that Bridge to Nowhere."
The reality, of course, was much different.
As the AP noted. Palin, as mayor of the tiny town of Wasilla, hired a lobbyist and made annual treks to Washington seeking earmarked spending that totaled $27 million, and then as Alaska's governor for less than two years, she sought nearly $750 million in special federal spending, "by far the largest per-capita request in the nation."
And as for that $398 million bridge from Ketchikan to an island with 50 residents, the truth is that Palin enthusiastically supported the project before she reluctantly opposed it, rejecting the "Bridge to Nowhere" only after it had become politically indefensible.
The Los Angeles Times discovered that Sen. McCain had specifically cited several of Palin's earmarks on his annual list of wasteful pork-barrel spending.
In 2001, for instance, McCain's list included a $500,000 earmark for a public transportation project in Wasilla, and in 2002, he criticized $1 million targeted for an emergency communications center that Palin sought but local law enforcement said was redundant and a source of confusion.
Remaking Palin
Now, however, Palin has been transformed into a maverick reformer. McCain's campaign even cites her experience as an abuser of the earmark process as part of the reason she supposedly understands why it must be scrapped.
McCain spokesman Taylor Griffin said Palin's successes in getting earmarked funds "was one of the formative experiences that led her toward the reform-oriented stance that she has taken as her career has progressed."
Nevertheless, Palin wrote in a newspaper column just this year that "the federal budget, in its various manifestations, is incredibly important to us, and congressional earmarks are one aspect of this relationship." [For more details, see Los Angeles Times, Sept. 3, 2008]
Beyond the GOP's reality-challenged speeches, there was the startling image of a nearly all-white convention - where only 36 of the 2,380 delegates were black, the smallest number in at least 40 years - rollicking in ridicule and bristling with animosity toward Obama, an African-American.
With their loud chants of "drill, baby, drill" regarding energy policy and boisterous shouts of "USA, USA" about "victory" in Iraq, there was a sense that St. Paul was hosting a convention of American Falangists, rather than that of a modern national party.
The whiff of authoritarianism extended to outside where demonstrators and journalists were swept off the streets in indiscriminate arrests.
What's less clear about the GOP convention is whether the Republicans are on to something, that perhaps the United States has crossed over into a post-rational society that cares little about facts and reality or serious policy ideas and respectful debate, but rather is a nation moved by anger and ridicule, fear and nationalism.
Robert Parry broke many of the Iran-Contra stories in the 1980s for the Associated Press and Newsweek. His latest book, Neck Deep: The Disastrous Presidency of George W. Bush, was written with two of his sons, Sam and Nat, and can be ordered at neckdeepbook.com. His two previous books, Secrecy & Privilege: The Rise of the Bush Dynasty from Watergate to Iraq and Lost History: Contras, Cocaine, the Press & 'Project Truth' are also available there
dinsdag 26 augustus 2008
vrijdag 22 augustus 2008
Bush makes last-minute grab for civil liberties

'I'm still in the White House you know'
By Bill Ray → More by this author
Published Thursday 21st August 2008 16:15 GMT
Nail down your security priorities. Ask the experts and your peers at The Register Security Debate, September 24 2008.
US citizens could be investigated without just cause under a new plan from the Justice Department, while those who choose to leave the country will have their records kept for 15 years and available to any litigious attorney.
The Justice Department plan won't be unveiled in detail until next month, but the New York Times is reporting that the plan will to allow the FBI to open an investigation into anyone without clear suspicion, and that's got civil liberty groups understandably concerned.
Meanwhile the Department of Homeland Security has been quietly building a database of every border crossing by a US citizen, claims the Washington Post, and intends to hang onto the data for 15 years - foreigners will have their data stored for 75 years. All this information sits in a database which will be exempted from the 1974 Privacy Act, which would require individuals to be informed if lawmen request the data.
Both these moves are about solidifying temporary powers that were put into place following the terrorist attack in New York in September 2001, and doing so before Bush leaves office and is replaced by someone who may be less hard-line.
Details of the Justice Department plan were revealed in closed briefings to Congressional staff, and four Democratic senators have written to the Attorney General expressing their concern. The letter, signed by Russ Feingold, Richard J. Durbin, Edward M. Kennedy and Sheldon Whitehouse, claims the new plan "might permit an innocent American to be subjected to such intrusive surveillance based in part on race, ethnicity, national origin, religion, or on protected First Amendment activities".
As a result the Attorney has agreed not to sign the plan before Congress gets a proper look at it on September 17th.
The border-crossing database being created in the name of Homeland Security came to light last month in a Federal Register notice, and is intended to form a record which can "quite literally, help frontline officers to connect the dots", according to a Homeland Security spokesman.
But it won't just be terrorists who are tracked on the database. The information will be available to any court or attorney in civil litigation, or even the media: "When there exists a legitimate public interest in the disclosure of the information."
As a fully paid up member of the fourth estate The Register is looking forward to having access to US border crossing records, but we promise to only use the information in legitimate cases, so if you've done nothing wrong you have nothing to fear from us. ®
donderdag 21 augustus 2008
woensdag 20 augustus 2008
You Can’t Be Serious: How a Comedian Became the most Influential Voice in American Politics

by Leonard Doyle
When Jon Stewart inaugurated his fake news anchor on The Daily Show eight years ago, his goal was to send up the hyperbolic and manufactured controversy of US Cable News and, if possible, be even more outrageous. Now, in a wonderful through-the-looking-glass moment, he has supplanted the subjects of his mockery in the country’s current affairs consciousness, and finds himself crowned the bemused voice of reason in an insane world.The underground comic has become such a cultural touchstone that The New York Times asked this week whether he has become “the most trusted man in America”.0819 04 1 2 3
For anyone who has missed the influential anchor, then his take on the way mainstream media peddles false rumours about Barack Obama is instructive. He calls it “Baracknophobia” and shows clips of blow-dried anchors and experts repeating widely-believed but baseless rumours - that the Democrat is actually a secret Muslim, a plagiarist, a misogynist etc. The purveyor of fake news lacerates the networks’ talking heads as they blame the internet for rumour mongering about Obama.
The highlight is a straight-faced Mr Stewart saying: “Oh, this is interesting. SomeguyI’veneverheardof.com is reporting presumptive Democratic nominee Barack Obama has lady parts. Obviously scurrilous and unfounded, we’ll examine it tonight in our special, ‘Barack Obama’s Vagina: The October Surprise In His Pants’.”
The latest sign of how far the show and its host have come from their edgy early days will come at the Democratic Convention in Denver, where he and his reporters are fully accredited.
When asked last year by the Pew Research Centre to name the journalist they most admired, Americans placed the fake news anchor Mr Stewart at number four on the list. He was tied with such luminaries as Tom Brokaw of NBC, Dan Rather, then of CBS, and Anderson Cooper of CNN.
The Daily Show and the equally funny and successful Colbert Report shows are broadcast more than 23 times a week, “from Comedy Central’s World News Headquarters in New York”. The side-street studio on Manhattan’s West Side is not only the undisputed locus of fake news, but it is increasingly the epicentre of real news - administered with a wrapping of college humour.
The whispered advice of a State Department spokesman to a foreign correspondent trying to make sense of American politics was very simple: tune into The Daily Show. “I watch the reruns every morning at 10.30,” she said, “it’s the only way to find out what’s really going on.”
The Daily Show is also a top priority for ambitious politicians and was described by Newsweek as “the coolest pit stop on television” for presidential candidates, world leaders and ex-presidents. While mainstream news gave an even-handed report on the legacy of the Blair-Bush years after Tony Blair’s farewell visit to Washington last year, The Daily Show tore Mr Blair to ribbons.
One of the programme’s signature techniques - of using video montages showing politicians contradicting themselves - is now a staple technique of mainstream news shows.
Nor is The Daily Show afraid of tackling what it calls “super depressing” stories, such as President George Bush’s decision to approve the use of torture after the September 11 attacks and the unprecedented concentration of executive power by the White House. Interviews with serious authors such as Seymour Hersh have helped focus attention on potentially illegal acts by the Bush administration and win a wider audience for their work.
Mr Stewart’s frequent outbursts of “Are you insane?!” seems to capture the post-M*A*S*H, post-Catch-22 sensibilities of a country that waged a war in Iraq to find weapons of mass destruction that did not exist. Now, with the most promising candidate in generations running for president, Mr Stewart asks whether the country may be about to reject him at the ballot box because of rumours that he is Muslim.
The purpose of The Daily Show is to entertain, not inform, Mr Stewart insists, and he likens his job to “throwing spitballs” from the back of the room. But he and the high-powered writers who work with him like nothing better than tackling the big issues of the day - in ways that straight news programs cannot.
“Hopefully, the process is to spot things that would be grist for the funny mill,” Mr Stewart, 45, told The New York Times. “In some respects, the heavier subjects are the ones that are most loaded with opportunity because they have the most … potential energy, so to delve into that gives you the largest combustion, the most interest. I don’t mean for the audience. I mean for us.”
The Daily Show’s success comes from blending the informality and attitude of bloggers with the hard-nosed research and expertise of the best investigative reporters to reveal a new news medium. Like bloggers, a key to his show’s success is the authenticity that comes from in-depth reporting, combined with stating the blindingly obvious.
Every day begins with a morning meeting where material culled from 15 video recorders, as well as newspapers, magazines and websites, is pored over. The meeting, Mr Stewart says, “would be very unpleasant for most people to watch: it’s really a gathering of curmudgeons expressing frustration and upset, and the rest of the day is spent trying to … repress that through whatever creative devices we can find”. Josh Lieb, one of the executive producers of the show, describes the process as looking for stories that “make us angry in a whole new way”.
By 3pm a script has been prepared and Mr Stewart’s rehearsals begin. After an hour of rewrites, taping the show starts at 6pm.
The fake news anchor may be the antidote to fake news, which has a habit of showing up in American newspapers. After all, the US government had an initiative in 2005 to plant “positive news” in Iraqi newspapers to sway public opinion about the war. The Bush administration has worked closely with big business to keep it flowing.
According to Professor Robert Love, of Columbia Journalism School: “They have used fringe scientists and fake experts to muddy scientific debates on global warming, stem-cell research, evolution, and other matters.”
For all his fakery, Mr Stewart may be pointing the way to the future of news: bluntness and informality fused with ruthless editing and a funny bone which helps to ensure that stories he wants to cover are watched.
©independent.co.uk
dinsdag 19 augustus 2008
Why McCain May Well Win
by Robert Parry
It might seem unlikely that the United States would elect John McCain to succeed George W. Bush when that would ensure continuation of many unpopular Bush policies: an ill-defined war with the Muslim world, right-wing consolidation of the U.S. Supreme Court, a drill-oriented energy strategy, tax cuts creating massive federal deficits, etc., etc.
But there are reasons - beyond understandable concerns about Barack Obama’s limited experience - that make a McCain victory possible, indeed maybe probable.
Here is one of the big ones: The U.S. news media is as bad as ever, arguably worse.
On Monday, Obama gave a detail-rich speech on how he would address the energy crisis, which is a major point of concern among Americans. From ideas for energy innovation to retrofitting the U.S. auto industry to conservation steps to limited new offshore drilling, Obama did what he is often accused of not doing, fleshing out his soaring rhetoric.
McCain responded with a harsh critique of Obama’s calls for more conservation, claiming that Obama wants to solve the energy crisis by having people inflate their tires. McCain’s campaign even passed out a tire gauge marked as Obama’s energy plan.
For his part, McCain made clear he wanted to drill for more oil wherever it could be found and to build many more nuclear power plants.
These competing plans offered a chance for the evening news to address an issue of substance that is high on the voters’ agenda. Instead, NBC News anchor Brian Williams devoted 30 seconds to the dueling energy speeches, without any details and with the witty opening line that Obama was “refining” his energy plan.
So, instead of dealing with a serious issue in a serious way, NBC News ignored the substance and went for a clever slight against Obama, hitting his political maneuvering in his softened opposition to more offshore drilling.
Williams’s quip fit with one of the press corps’ favorite campaign narratives, Obama’s flip-flopping. But the coverage ignored far more important elements of the story, such as the feasibility of Obama’s vow that “we must end the age of oil in our time” or the wisdom of McCain’s emphasis on drilling - and nuking - the nation out of its energy mess.
And, as for flip-flops, McCain’s dramatic repositioning of himself as an anti-environmentalist - after years of being one of the green movement’s favorite Republicans - represents a far more significant change than Obama’s modest waffling on offshore oil.
The Sierra Club, one of the nation’s premier environmental organizations, has repudiated McCain and now is running ads attacking his energy plan. But McCain’s flip-flops - even complete reversals - remain an underplayed part of the campaign story. They just don’t fit the narrative of maverick John McCain on the “Straight Talk Express.”
Loving the ‘Surge’
The major U.S. news media has been equally superficial in dealing with the Iraq War and the “war on terror.” It is now a fully enshrined conventional wisdom that George W. Bush’s troop “surge” was a huge success and vindicates McCain’s early support for it.
On Obama’s overseas trip, it became de rigueur for each interviewer to pound him for the first 10 or 15 minutes with demands that he accept the accepted wisdom about the “surge” and admit that he was wrong and McCain was right.
Obama’s attempts to offer a more subtle explanation of what had occurred in Iraq - that key reasons for the declining violence actually predated the “surge” - were treated with bafflement by the interviewers, who simply reframed their questions and came back at him in a show of toughness against Obama’s supposed evasions.
CBS News anchor Katie Couric started this pattern, but others fell smartly in line, including NBC’s Tom Brokaw on “Meet the Press.” Indeed, many of the same media stars who had cheered the nation to war in 2003 (such as Brokaw) were now hectoring Obama, who had spoken out against the invasion in real time.
Conversely, McCain is never challenged about his misjudgment in advocating a rapid pivot from Afghanistan to Iraq in late 2001 and early 2002, before Osama bin Laden and other top al-Qaeda were captured and before Afghanistan had stabilized.
That premature pivot now stands as one of the biggest military blunders in U.S. history, leaving American troops bogged down in two open-ended wars and allowing the perpetrators of the 9/11 attacks to regroup and to plot in safe havens inside Pakistan.
However, American voters who rely on the major news media for their information would have no idea about McCain’s central role in this fiasco. All they hear about is how McCain was right about the “surge” and how Obama won’t admit he was wrong.
Britney/Paris
When American news consumers aren’t hearing misinformation, they’re almost surely hearing trivia. The TV news shows couldn’t resist endlessly repeating McCain’s attack ad that compared Obama and his enthusiastic reception in Berlin to misbehaving celebrities Britney Spears and Paris Hilton.
Though the juxtaposition was clearly meant to demean - and reminded some political observers of the “call me” ads of a sexy white woman whispering to black Tennessee Senate candidate Harold Ford - McCain’s campaign insisted it was all in good fun.
While some pundits did take note of McCain’s detour onto the low road, others picked up McCain’s campaign theme that Obama is a “presumptuous” elitist who looks down on others.
That powerful attack line, which touches on the grievances of working-class whites who feel that some blacks have gotten unfair advantages from affirmative action, is at the heart of modern American racism. Since the Nixon era, Republicans have played this Southern Strategy with great success, telling whites that they’re the real victims.
This Obama-elitist theme reached its apex (or nadir, if you prefer) when the Washington Post’s Dana Milbank distorted a reported quote from Obama to a closed Democratic caucus and used it to prove Obama was a “presumptuous nominee.” [Washington Post, July 30, 2008]
Jonathan Capehart, Milbank’s colleague from the Washington Post’s neoconservative editorial page, then took the point a step further on MSNBC’s “Morning Joe” show, citing Milbank’s misleading quote to establish that Obama is an “uppity” black man.
Yet, the true meaning of the Obama quote appears to have been almost the opposite of how Milbank used it.
Painting Obama as a megalomaniac, Milbank wrote: “Inside [the caucus], according to a witness, [Obama] told the House members, ‘This is the moment . . . that the world is waiting for,’ adding: ‘I have become a symbol of the possibility of America returning to our best traditions.’”
However, other people who attended the caucus complained that Milbank had yanked the words out of context to support his “presumptuous” thesis, not to reflect what Obama actually said.
Rep. Jim Clyburn, D-South Carolina, said Obama’s comment was “in response to what one of the [House] members prefaced the question by,” a reference to the crowd of 200,000 that turned out to hear Obama speak in Berlin.
According to Clyburn, Obama “said, ‘I wish I could take credit for that, but I can’t. Because it’s not about me. It’s about America. It’s about the people of Germany and the people of Europe looking for a new hope, new relationships, as we go forward in the world.’ So, he expressly said that it’s not about me.”
A House Democratic aide sent an e-mail to Fox News saying, “Lots of people are reading the quote about Obama being a symbol and getting it wrong. His entire point of that riff was that the campaign IS NOT about him.
“The Post left out the important first half of the sentence, which was something along the lines of: ‘It has become increasingly clear in my travel, the campaign, that the crowds, the enthusiasm, 200,000 people in Berlin, is not about me at all. It’s about America. I have just become a symbol …’”
So, it appears that Obama’s attempt to show humility was transformed into its opposite, establishing that, as Capehart put it, Obama is an “uppity” black man. [Capehart himself is black.]
A week after Milbank pulled the Obama quote inside out, the Washington Post had yet to run a correction or a clarification. The august Post apparently judges that Obama’s supporters don’t have the clout to punish a news organization for getting a quote wrong, even if it continues to reverberate through the media echo chamber to millions of Americans.
Putting Obama at Risk
Yet possibly even more offensive than the quote, Milbank’s column shoved everything, including the Secret Service security arrangements for Obama, through the lens of proving that the candidate is arrogant.
When Washington police and the Secret Service blocked off roads for Obama’s motorcade, that was not simply prudence in the face of extraordinary security concerns for Obama’s life; it was proof that Obama already sees himself as a head of state.
“He traveled in a bubble more insulating than the actual President’s. Traffic was shut down for him as he zoomed about town in a long, presidential-style motorcade, while the public and most of the press were kept in the dark about his activities.”
Milbank groused, too, about the tight security that the police put around Obama’s movements on Capitol Hill.
“Capitol Police cleared the halls — just as they do for the actual President. The Secret Service hustled him in through a side door — just as they do for the actual President,” Milbank wrote.
While Milbank portrayed these security steps as further evidence of Obama’s hubris, there is no reason to believe that Obama had any say in the decisions of his security detail to protect the candidate.
Milbank and the Post were behaving as if they were oblivious to the physical danger that surrounds the first African-American to have a serious chance to be elected President of the United States. It was almost as if they were baiting him to order the Secret Service to pull back or face the accusation that he is, as Capehart put it, “uppity.”
This pattern of how the major media treats Obama also is not new. Although the McCain campaign and the right-wing media insist that Obama gets easy treatment from the press corps, that amounts to more “working the refs” than a legitimate complaint.
Just because Obama gets more coverage than McCain - the centerpiece of the Republican complaint - doesn’t mean that the press favors Obama, anymore than the fact that Bill Clinton got lots of coverage in 1998 over the Monica Lewinsky scandal meant that the press was favoring him.
Indeed, there have been repeated examples of media double standards working against Obama.
For instance, during the primaries, the major media obsessed for weeks over controversies that would have blown over for other candidates in days. The stupid remarks by Obama’s pastor, Jeremiah Wright, were endless fodder for news programs, while offensive comments from pro-McCain pastors were just tiny blips and soon disappeared.
Similarly, Obama’s lack of a flag-lapel pin became a theme that was used to challenge his patriotism, although neither John McCain nor Hillary Clinton wore a pin. Neither, by the way, did ABC’s George Stephanopoulos and Charles Gibson as they moderated the April 16 debate in Philadelphia where Obama was grilled over his lack of a flag-lapel pin.
(The flag-lapel “issue” was first given national prominence by New York Times columnist William Kristol and was given more impetus by Washington Post columnist Charles Krauthammer. To put the issue to rest, Obama finally began wearing a flag pin, though McCain still doesn’t wear one regularly.)
Economic Determinism
Every presidential election year, it seems, some economist publishes an article that declares that economic data - good or bad - will decide whether the White House will be won by the in-power party or the out-of-power party. For instance, the booming economy of 2000 supposedly assured Al Gore a resounding victory.
In Campaign 2008, this thinking holds that Americans - faced with severe economic troubles - will throw the Republicans out of the White House and elect a Democrat.
However, this economic determinism may no longer hold sway in a nation that is as inundated with media as the United States is. The ability to float false “themes” against one candidate or another and have the major media constantly repeat the propaganda is an extraordinarily powerful force in deciding American elections.
As we describe in our book Neck Deep, millions of Americans went to the polls in November 2000 believing a number of false claims that had been circulated about Vice President Gore (including the bogus notion that he had been part of a plan to sell nuclear secrets to China, when those secrets actually had been compromised during the Reagan years.)
Given the persistent superficiality - and cowardice - of the major U.S. news media, there’s even the larger question of whether a meaningful democracy can survive when the public is so thoroughly misinformed.
Although there are some Internet sites that challenge the major media’s errors, the imbalance remains tilted heavily toward the ideological Right. Especially when prestige newspapers like the Washington Post contribute to the distribution of false or misleading information - as with Milbank’s quote about Obama - the pro-Republican media eagerly amplifies it and most Americans never hear the other side.
Right-wing Internet sites also have proven to be very adept at inserting completely false claims about Obama that stick with many Americans, such as the oft-repeated lie that Obama is a Muslim or that he trained at a radical Islamic madrassah.
To assume that people will somehow see through such distortions has proven to be naïve in the past. More likely, many millions of Americans will head to the polls in November having internalized a hodgepodge of negative themes about Obama. Indeed, a significant number who have absorbed the uglier accusations will have come to hate him.
So, even if a McCain victory guarantees that the United States would solidify the policies of a deeply disliked President, many Americans may set aside what may be good for the country - or even good for their own pocketbooks - and vote against Obama, more based on perceptions than reality.
Robert Parry broke many of the Iran-Contra stories in the 1980s for the Associated Press and Newsweek. His latest book, Neck Deep: The Disastrous Presidency of George W. Bush, was written with two of his sons, Sam and Nat, and can be ordered at neckdeepbook.com. His two previous books, Secrecy & Privilege: The Rise of the Bush Dynasty from Watergate to Iraq and Lost History: Contras, Cocaine, the Press & ‘Project Truth’ are also available there. Or go to Amazon.com.
Distributed by Consortiumnews.com
The Plot Against Liberal America

by Thomas Frank
The most cherished dream of conservative Washington is that liberalism can somehow be defeated, finally and irreversibly, in the way that armies are beaten and pests are exterminated. Electoral victories by Republicans are just part of the story. The larger vision is of a future in which liberalism is physically barred from the control room - of an “end of history” in which taxes and onerous regulation will never be allowed to threaten the fortunes private individuals make for themselves. This is the longing behind the former White House aide Karl Rove’s talk of “permanent majority” and, 20 years previously, disgraced lobbyist Jack Abramoff’s declaration to the Republican convention that it’s “the job of all revolutions to make permanent their gains”.
When I first moved to contemplate this peculiar utopian vision, I was struck by its apparent futility. What I did not understand was that beating liberal ideas was not the goal. The Washington conservatives aim to make liberalism irrelevant not by debating, but by erasing it. Building a majority coalition has always been a part of the programme, and conservatives have enjoyed remarkable success at it for more than 30 years. But winning elections was not a bid for permanence by itself. It was only a means.
The end was capturing the state, and using it to destroy liberalism as a practical alternative. The pattern was set by Margaret Thatcher, who used state power of the heaviest-handed sort to implant permanently the anti-state ideology.
“Economics are the method; the object is to change the soul,” she said, echoing Stalin. In the 34 years before she became prime minister, Britain rode a see-saw of nationalisation, privatisation and renationalisation; Thatcher set out to end the game for good. Her plan for privatising council housing was designed not only to enthrone the market, but to encourage an ownership mentality and “change the soul” of an entire class of voters. When she sold off nationally owned industries, she took steps to ensure that workers received shares at below-market rates, leading hopefully to the same soul transformation. Her brutal suppression of the miners’ strike in 1984 showed what now awaited those who resisted the new order. As a Business Week reporter summarised it in 1987: “She sees her mission as nothing less than eradicating Labour Party socialism as a political alternative.”
In their own pursuit of the free-market utopia, America’s right-wingers did not have as far to travel as their British cousins, and they have never needed to use their state power so ruthlessly. But the pattern is the same: scatter the left’s constituencies, hack open the liberal state and reward friendly businesses with the loot.
Grover Norquist, one of the most influential conservatives in Washington and the “field marshal of the Bush plan”, according to the Nation magazine, has been most blunt about using the power of the state “to crush the structures of the left”. He has outlined the plan countless times in countless venues: the liberal movement is supported by a number of “pillars”, each of which can be toppled by conservatives when in power. Among Norquist’s suggestions has been the undermining of defence lawyers - who in the US give millions of dollars to liberal causes - with measures “potentially costing [them] billions of dollars of lost income”. Conservatives could also “crush labour unions as a political entity” by forcing unions to get annual written approval from every member before spending union funds on political activities. His coup de grâce is that the Democratic Party in its entirety would become “a dead man walking” with the privatisation of social security.
Much of this programme has already been accomplished, if not on the precise terms Norquist suggested. The shimmering dream of privatising social security, though, remains the great unreachable right-wing prize, and the right persists in the campaign, regardless of the measure’s unpopularity or the number of political careers it costs. President Bush announced privatisation to be his top priority on the day after his re-election in 2004, although he had not emphasised this issue during the campaign. He proceeded to chase it deep into the land of political unpopularity, a region from which he never really returned.
He did this because the potential rewards of privatising social security justify any political cost. At one stroke, it would both de-fund the operations of government and utterly reconfigure the way Americans interact with the state. It would be irreversible, too; the “transition costs” in any scheme to convert social security are so vast that no country can consider incurring them twice. Once the deal has been done and the trillions of dollars that pass through social security have been diverted from the US Treasury to stocks in private companies, the effects would be locked in for good. First, there would be an immediate flood of money into Wall Street; second, there would be an equivalent flow of money out of government accounts, immediately propelling the federal deficit up into the stratosphere and de-funding a huge part of the federal activity.
Business elites
The overall effect for the nation’s politics would be to elevate for ever the rationale of the financial markets over such vague liberalisms as “the common good” and “the public interest”. The practical results of such a titanic redirection of the state are easy to predict, given the persistent political demands of Wall Street: low wage growth, even weaker labour organisations, a free hand for management in downsizing, in polluting, and so on.
The longing for permanent victory over liberalism is not unique to the west. In country after country, business elites have come up with ingenious ways to limit the public’s political choices. One of the most effective of these has been massive public debt. Naomi Klein has pointed out, in case after case, that the burden of debt has forced democratic countries to accept a laissez-faire system that they find deeply distasteful. Regardless of who borrowed the money, these debts must be repaid - and repaying them, in turn, means that a nation must agree to restructure its economy the way bankers bid: by deregulating, privatising and cutting spending.
Republicans have ridden to power again and again promising balanced budgets - government debt was “mortgaging our future”, Ronald Reagan admonished in his inaugural address - but once in office they proceed, with a combination of tax cuts and spending increases, to inflate the federal deficit to levels far beyond those reached by their supposedly open-handed liberal rivals. The formal justification is one of the all-time great hoaxes. By cutting taxes, it is said, you will unleash such economic growth that federal revenues will actually increase, so all the additional government spending will be paid for.
Even the theory’s proponents don’t really believe it. David Stockman, the libertarian budget director of the first Reagan administration, did the maths in 1980 and realised it would not rescue the government; it would wreck the government. This is the point where most people would walk away. Instead, Stockman decided it had medicinal value. He realised that with their government brought to the brink of fiscal collapse, the liberals would either have to acquiesce in the reconfiguration of the state or else see the country destroyed. Stockman was candid about this: the left would “have to dismantle [the government’s] bloated, wasteful, and unjust spending enterprises - or risk national ruin”.
This is government-by-sabotage: deficits were a way to smash a liberal state. The Reagan deficits did precisely this. When Reagan took over in 1981, he inherited an annual deficit of $59bn and a national debt of $914bn; by the time he and his successor George Bush had finished their work, they had quintupled the deficit and pumped the debt up to more than $3trn. Bill Clinton called the deficit “Stockman’s Revenge” - and it domin ated all other topics within his administration’s economic teams. With the chairman of the Federal Reserve Alan Greenspan himself speaking of “financial catastrophe” unless steps were taken to control Reagan’s deficit, Clinton was soon a convert. He got tough with the federal workforce.
So-called virtues
George W Bush proceeded to plunge the budget into deficit again. Indeed, after seeing how the Reagan deficit had forced Clinton’s hand, it would have been foolish for a conservative not to spend his way back into the hole as rapidly as possible. “It’s perfectly fine for them to waste money,” says Robert Reich, a former labour secretary to Bill Clinton, summarising the conservative viewpoint. “If the public thinks government is wasteful, that’s fine. That reduces public faith in government, which is precisely what the Republicans want.”
In 1964, the political theorist James Burnham diagnosed liberalism as “the ideology of western suicide”. What Burnham meant by this was that liberalism’s so-called virtues - its openness and its insistence on equal rights for everyone - made it vulnerable to any party that refuses to play by the rules. The “suicide” that all of this was meant to describe was liberalism’s inevitable destruction at the hands of communism, a movement in whose ranks Burnham had once marched himself. But his theory seems more accurately to describe the stratagems of its fans on the American right. And the correct term for the disasters that have disabled the liberal state is not suicide, but vandalism. Loot the Treasury, dynamite the dam, take a crowbar to the monument and throw a wrench into the gears. Slam the locomotive into reverse, toss something heavy on the throttle, and jump for it.
Mainstream American political commentary customarily assumes that the two political parties do whatever they do as mirror images of each other; that if one is guilty of some misstep, the other is equally culpable. But there is no symmetry. Liberalism, as we know it, arose out of a compromise between left-wing social movements and business interests. It depends on the efficient functioning of certain organs of the state; it does not call for all-out war on private industry.
Conservatism, on the other hand, speaks not of compromise, but of removing its adversaries from the field altogether. While no one dreams of sawing off those branches of the state that protect conservatism’s constituents - the military, the police, legal privileges granted to corporations - conservatives openly fantasise about doing away with the bits of “big government” that serve liberal ends. While de-funding the left is the north star of the conservative project, there is no comparable campaign to “de-fund the right”; indeed, it would be difficult to imagine one.
“Over the past 30 years, American politics has become more money-centred at exactly the same time that American society has grown more unequal,” the political scientists Jacob Hacker and Paul Pierson have written. The resources and organisational heft of the well-off and hyper-conservative have exploded. But the org anisational resources of middle-income Amer icans . . . have atrophied. The resulting inequality has greatly benefited the Republican Party while drawing it closer to its most affluent and extreme supporters.”
In this sense, conservative Washington is a botch that keeps on working, constructing an imbalance that will tilt our politics rightward for years, a plutocracy that will stand, regardless of who wins the next few elections. And as American inequality widens, the clout of money will only grow more powerful.
As I write this, the lobbyist-fuelled conservative boom of the past ten years is being supplanted by a distinct conservative bust: like the real-estate speculators who are dumping properties all over the country, conservative senators and representatives are heading for the revolving door in record numbers.
Plutocracy
The Democrats who have taken their place are an improvement, certainly, but for the party’s more entrepreneurial leaders electoral success in 2006 was merely an opportunity to accelerate their own courtship of Washington’s lobbyists, think-tanks and pressure groups staked out on K Street. Democratic leaders have proved themselves the Republicans’ equals in circumvention of campaign finance laws.
Throwing the rascals out is no longer enough. The problem is structural; it is inscribed on the map; it glows from the illuminated logos on the contractors’ office buildings; it is built into the systems of governance themselves. A friend of mine summarised this concisely as we were lunching in one of those restaurants where the suits and the soldiers get together. Sweeping his hand so as to take in our fellow diners and all the contractors’ offices beyond, he said, “So you think all of this is just going to go away if Obama gets in?” This whole economy, all these profits?
He’s right, of course; maybe even righter than he realised. It would be nice if electing Democrats was all that was required to resuscitate the America that the right flattened, but it will take far more than that. A century ago, an epidemic of public theft persisted, despite a long string of reformers in the White House, Republicans and Democrats, each promising to clean the place up. Nothing worked, and for this simple reason: democracy cannot work when wealth is distributed as lopsidedly as theirs was-and as ours is. The inevitable consequence of plutocracy, then and now, is bought government.
This is an edited extract from Thomas Frank’s “The Wrecking Crew“, published this month by Harvill Secker (£14.99)
© Thomas Frank, 2008
Abonneren op:
Posts (Atom)



