Theseus is een held uit de Griekse mythologie. Je kunt hem vergelijken met de moderne superhelden als Superman. Zijn bekendste daad was het doden van de Minotaurus. Koning Minos van Kreta dreigde met oorlog met Athene. Deze kon alleen voorkomen worden als er om de zeven jaar veertien jongeren, zeven jongens en zeven meisjes, liet overvaren als voedsel voor de Minotaurus. Theseus was een van deze jongeren. Zijn doel was de Minotaurus te doden en de andere jongeren te redden. Hij werd op Kreta verliefd op de koningsdochter Ariadne. Zij gaf de draad van Ariadne en een zwaard. Theseus dood de Minotaurus en weet te ontsnappen uit het labyrint.
De naam van Theseus is ook verbonden aan een paradox uit de filosofie. Deze paradox heeft betrekking op de vraag of een object hetzelfde blijft als je alle onderdelen waar dit object uit bestaat vervangt door andere onderdelen. De paradox komen we tegen bij Plutarchus die hem in de eerst eeuw na christus heeft opgetekend. Hij vroeg zich of of een schip waarbij alle houten onderdelen waren vervangen nog steeds hetzelfde schip was. Eerder werd deze paradox al besproken door filosofen als Heraclitus, Socrates en Plato. Het heeft dus oude papieren binnen de filosofie. Later komen we hem ook tegen bij denkers als Thomas Hobbes en John Locke. Het is een model binnen de filosofie voor de vraag of iets hetzelfde blijft of toch iets anders is geworden.
Plutarchus vroeg zich af of een schip hetzelfde blijft als het stukje bij beetje vervangen wordt. Hobbes maakte de paradox nog wat moeilijker.. Wat als de oorspronkelijke planken verzamelt worden en er een tweede schip wordt gebouwd. Welk schip is dan het originele schip van Theseus?
John Locke bedacht een variant met een sok. Stel je hebt een favoriet paar sokken. Je bent zo aan deze sokken gehecht dat je ze niet weg wilt gooien. Nu zit er in een van deze sokken een gat. Je besluit dit gat te stoppen. De sok blijft doorslijten en je stopt het ene gat na het andere. Zou je nog steeds van dezelfde sok kunnen spreken als al het oorspronkelijke materiaal was vervangen?
Hoe zit het nu met deze paradox? Stel dat Theseus aan het varen is en hij vervangt onderweg een plank. Iedereen zal het er mee eens zijn dat we dan nog steeds spreken van hetzelfde schip. Er moeten onderweg echter steeds meer planken vervangen worden. Een schip moet onderhouden worden en er slijt nog wel eens wat. Op het moment dat Theseus de haven binnen vaart, zijn alle planken vervangen. Is het schip dat aankomt dan nog hetzelfde schip als het schip dat vertrok? Is er een moment aan te wijzen waarop het schip van Theseus niet meer hetzelfde schip was? Stel dat het schip uit honderd planken bestond. Je zou kunnen besluiten dat het schip niet meer hetzlefde was als het voor de helft was vervangen. Klopt dit wel? Was het dan niet meer hetzelfde schip nadat de vijftigste plank was vervangen? Dat lijkt willekeurig. Waarom niet pas bij de eenenvijftigste plank of al bij de negenenveertigste. Was het nog hetzelfde schip toen er zevenenveertig planken waren vervangen? Je zou kunnen besluiten dat je wel degelijk moet spreken van een ander schip, telkens als er een plank is vervangen. Natuurlijk, elk nieuw schip lijkt erg veel op het vorige schip, maar het is toch een ander schip. Je hebt gewoon een serie bijna identieke schepen. Dat is een consequente en niet willekeurige oplossing. Het zou wel betekenen dat niets hetzelfde blijft door de tijd heen. Bij heel veel dingen worden er onderdelen vervangen in de loop van de tijd. Dat gaat niet alleen op voor schepen maar ook voor vliegtuigen, auto's, planten, dieren en mensen. Elke cel in ons lichaam wordt gedurende ons leven meerdere keren vervangen door andere cellen. Toch zouden we niet willen zeggen dat we nu daardoor een ander mens zijn geworden. We blijven toch dezelfde persoon. We hebben een identiteit door de tijd heen. Als je de redenatie volgt dat je moet spreken van een ander schip als er een plank is vervangen, dan moet je ook spreken van een ander mens als iemand een kunstheup heeft gekregen. Dat lijkt me toch aardig absurd.
Een andere oplossing zou de theorie van de temporele (tijdelijke) delen zijn. Zoals een schip ruimtelijke delen heeft, zo heeft een schip volgens deze theorie ook tijdelijke delen. Als ik een foto zie van het stadhuis van Leiden die gemaakt is op 15 maart 2012, dan, zie ik volgens deze theorie niet het gehele stadhuis, maar slechts een deel ervan. Ik zie slechts het '15 maart 2012 deel'. Een dergelijk deel noemen we dan een 'temporeel' ofwel tijdelijk deel. Als we op de eerste dag van de vaart een plank vervangen, is het schip dan na de eerste dag een ander schip? Volgens deze theorie is dat niet het geval. We hebben slechts het dag1 deel van de plank vervangen, maar niet dag2 deel, het dag3 deel, het dag4 deel etc. Wat we 'het schip van Theseus' noemen is in deze theorie niets anders dan de verzameling van alle temporele delen. Die verandert nooit. Het schip is de verzameling. Op deze manier beschouwd heeft het schip een identiteit door de tijd heen.
Het blijft een beetje raar dat er nooit wat verandert. De verzameling verandert nooit dus verandert het schip nooit. Hoe vaak je ook planken vervangt, het schip blijft hetzelfde. Dat kan natuurlijk niet kloppen. Sommigen noemen deze theorie daarom zelfs idioot. Daar kan ik het alleen maar me eens zijn.
We kunnen natuurlijk ook zeggen dat het ons niet uitmaakt wat het ware schip van Theseus is, zolang je er maar mee kan doen wat je wilt. In het geval van Theseus naar Kreta varen om de Minotaurus te verslaan. Misschien kunnen we het schip zelfs wel verbeteren als we bepaalde onderdelen vervangen. Dit kunnen we een functionele opvatting noemen. Veel mensen zullen waarschijnlijk zo denken, en het is ongetwijfeld een opvatting die voor de alledaagse praktijk voldoet. Het is echter wel een wat oppervlakkige opvatting. De paradox wordt hier niet opgelost, maar gewoon genegeerd.
Er zijn nog vele andere manieren om tegen deze paradox aan te kijken. Er is er echter geen een die een bevredigende oplossing biedt. Het schip van Theseus zal dus voorlopig nog wel even door onze hoofden blijven varen.
Posts tonen met het label Filosofie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Filosofie. Alle posts tonen
woensdag 21 maart 2012
woensdag 9 november 2011
dinsdag 26 april 2011
zondag 21 november 2010
Thorbecke, de founding father van Nederland
In Amerika hebben ze het altijd over de founding fathers. Dit zijn de politieke leiders die de Onafhankelijkheidsverklaring hebben ondertekend of geholpen hebben met het opstellen van de grondwet. Zij zijn de grondleggers van de Verenigde Staten. Wij hebben ook een 'founding father'; Thorbecke. We hadden natuurlijk al een Vader des Vaderlands; Willem de Zwijger. Voor mij is dat toch iets anders dan een 'founding father'. Willem de Zwijger heeft niet onze grondwet geschreven, dat heeft Thorbecke gedaan. Onze grondwet is in wezen nog dezelfde als die van Thorbecke uit 1848, al is deze in 1983 herzien. Thorbecke was daarmee de grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie.
Johan Rudolf Thorbecke werd op 14 februari 1798 geboren als zoon van een tabakshandelaar. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Duitsland, maar de Thorbecke's hadden zich sinds de zeventiende eeuw in Zwolle gevestigd. Ondanks het feit dat zijn ouders het niet breed hadden, kreeg hij alle kans om zijn intelligentie te ontwikkelen. Zijn ouders hebben hem altijd gestimuleerd om door te leren.Van een predikant leerde hij Latijn en Grieks, waardoor Thorbecke de Latijnse school (een voorloper van het gymnasium) al na korte tijd kan verlaten. In 1815 gaat Thorbecke klassieke letteren studeren in Amsterdam. Vanaf 1818 zet hij zijn studie voort in Leiden. In 1820 zal hij promoveren op een dissertatie over de Romeinse redenaar Asinius Pollio.
Na zijn promotie vertrok hij naar Duitsland om daar te gaan werken als privaat-docent. Dat was in die tijd niet ongebruikelijk. Deze periode was belangrijk voor zijn geestelijke vorming. Hij kwam er in aanraking met het Duitse idealisme. Dat was in die tijd een populaire filosofische stroming. Door geldzorgen moest hij weer terug naar Nederland. In 1825 werd jij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Gent. Als gevolg van de Belgische opstand in 1830 moest hij de stad verlaten. Een jaar later werd Thorbecke benoemd tot hoogleraar diplomatie en moderne geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Hier zou hij onder andere college geven over de grondwet. In 1839 publiceerde hij 'Aanteekening op de Grondwet '. Dit zou een aanzet zijn tot een debat over de grondwet zoals die op dat moment bestond.
In 1836 trouwde Thorbecke met Adelheid Sorger. Zij was negentien jaar jonger dan Thorbecke. In dat jaar kocht hij een huis aan de Garenmarkt. Hij woonde op de Garenmarkt 9. Hij is daar tot 1850 blijven wonen. Thorbecke was iemand die zijn onafhankelijkheid koesterde. Hij maakte op zijn omgeving een koele, hooghartige en ongenaakbare indruk. Hij bleek in intieme kring echter een warme persoonlijkheid. Hij hield van wijn, sigaren en muziek- met name van Mozart en Beethoven.
In 1840 werd hij lid van de zogenaamde dubbele kamer. Tussen 1844 en 1845 was hij lid van de tweede kamer. Hier nam hij het initiatief tot herziening van de grondwet. Hij deed dat samen met acht andere kamerleden (de Negenmannen). Het voorstel werd niet in behandeling genomen. De voorstellen werden 'on-Nederlands' genoemd. Het maakte wel veel discussie los. In 1853, 1863 en 1872 ontving Thorbecke doodsbedreigingen van onbekenden. In het laatste geval was dat in reactie op de mogelijke invoering van een inkomstenbelasting.
In 1848 kwam die nieuwe grondwet er toch. Thorbecke was in dat revolutiejaar aangesteld als voorzitter van de Grondwetscommissie. Koning Willem II was geschrokken van de woelingen in het buitenland. 1848 was niet toevallig het jaar waarin Karl Marx en Friedrich Engels het Communistisch Manifest schreven. In dat jaar waarde er een spook door Europa, zoals Marx schreef. In heel Europa was er sprake van een revolutionaire stemming. In Frankrijk brak de Februarirevolutie uit. Frankrijk werd weer een republiek. Als reactie hierop brak er in Oostenrijk en Hongarije de Maartrevolutie uit. Ook in de Duitse landen heerste een revolutionaire stemming. In heel Europa was het onrustig.De gevestigde machten sidderden. Willem II had goed door dat de zaken niet bij het oude konden blijven. Dat hij met het aanstellen van de Commissie zijn ministers passeerde scheen niet terzake te doen. Zijn hervormingsdrift leek niet voort te komen uit een passie voor het staatsrecht. Hij was er meer op uit om zijn hachje te redden.
De nieuwe grondwet betekende een grote vooruitgang. Er kwamen rechtstreekse verkiezingen. Daarnaast kwam er de ministeriële verantwoordelijkheid en werden de parlementaire bevoegdheden uitgebreid. Het algemene kiesrecht gold alleen nog voor mannen. Vrouwen zouden pas in 1917 kiesrecht krijgen. Met deze grondwet was Nederland eindelijk een moderne staat geworden.
Thorbecke heeft leiding gegeven aan drie kabinetten. Thorbecke was in zijn kabinetten minister van binnenlandse zaken. Daar viel een zeer breed takenpakket onder; binnenlands bestuur, landbouw, handel en nijverheid, armenzorg, onderwijs, waterstaat en volksgezondheid vielen hieronder. De post van minister-president bestond nog niet in zijn tijd.
In het eerste kabinet dat duurde van 1849 tot 1853 had hij constant conflicten met koning Willem II. Zijn tweede kabinet dat zat van 1862 tot 1866 stond vooral in het teken van de infrastructuur. In deze tijd werd het Noordzeekanaal gegraven. Thorbecke was niet bij iedereen populair. In deze periode ontving hij een doodsbedreiging per brief. Wat dat betreft is er dus niets nieuws onder de zon.
Het laatste kabinet Thorbecke duurde van 4 januari 1871 tot 6 juni 1872, de dag dat Thorbecke stierf. In zijn laatste kabinetsperiode had Thorbecke aan Aletta Jacobs als eerste vrouw toestemming gegeven om aan een universiteit te studeren. Dit had hij vijf dagen voor zijn dood nog geregeld.
Thorbecke was een van de grootste staatsmannen die ons land ooit heeft gekend. De grondwet van 1848 is het fundament van onze rechtsstaat. Er zijn later enige wijzigingen aangebracht, maar in grote lijnen is onze grondwet nog steeds dezelfde als die van 1848 . In 1983 heeft de laatste wijziging van de grondwet plaatsgevonden. Het huidige artikel 1, waarin discriminatie wordt verboden, werd toen aan de grondwet toegevoegd. Dit artikel is eigenlijk een logische toevoeging aan de grondwet zoals die bestond. Aan het fundament van onze rechtsstaat kan en mag niet zomaar getornd worden.
Het liberalisme van Thorbecke was geworteld in het Duitse idealisme. Een van de kenmerken van het Duitse idealisme is dat het uitgaat van een analyse van de historische ontwikkeling. Een van de belangrijkste voormannen van het Duitse idealisme is Hegel. Hegel wilde alle kennis in een totaalconcept verenigen. Wetenschap, esthetica, godsdienst en filosofie moesten samenkomen in een groot systeem. De werkelijkheid was in zijn ogen niet statisch, maar de uitkomst van een continu dynamisch proces waarbij nieuwe tegenstellingen telkens weer worden opgeheven. Dit proces noemde Hegel dialectiek. Filosofie was voor Hegel 'haar tijd in gedachten vervat'. Kennis is dus bij Hegel gebonden aan de culturele context en de historische situatie. Kennis is dus niet absoluut. Kennis ontwikkelt zich door tegenstellingen die worden opgeheven. Dus eigenlijk door discussie. Zo bezien kan je het Duits idealisme zien als een basis voor het liberalisme. Niet iedereen zal dit zo zien, maar dit is de manier waarop Thorbecke het zag. Liberalisme gaat ervan uit dat niemand zeker weet wat het goede leven is. Mensen hebben daar verschillende visies op en vullen dat op hun eigen manier in. Daarom moeten vrijgelaten worden om hun leven te leiden zoals ze willen, zolang ze anderen maar niet in hun vrijheid belemmeren (zoals een Amerikaanse rechter zei;'de vrijheid om met je vuist te zwaaien wordt beperkt door de neus van je buurman.') Het is niet aan de staat om in te grijpen voor je eigen bestwil. De VVD noemt zich een liberale partij en ziet zich graag als de erfgenaam van Thorbecke. Laten we eens kijken naar het liberalisme van Thorbecke en laten we kijken naar wat we daarvan terugvinden bij de VVD. Het liberalisme van Thorbecke wordt duidelijk uit een citaat als het volgende;
Liberaal regeren, dat is regeren overeenkomstig de natuurwet, die aan elk wezen een bijzondere bestemming en een eigen scheppingsvermogen heeft toegekend; dat is de algemene voorwaarden verzekeren, onder welke aan alle leden van de staat het zelfstandig handelen, naar de mate van ieders aanleg mogelijk wordt.
Het is niet liberaal, wanneer een regering de ontwikkeling van arbeid en kapitaal, of hun meest vrije en vruchtbare besteding tegenhoudt; wanneer zij een richting zoekt te geven aan hetgeen zijn weg zelf moet vinden; wanneer zij met één woord, in stede voor de mogelijkheid van maatschappelijke ontwikkeling te zorgen, die zelve in de hand nemen wil.
Voor een deel kan je hier het verhaal van de huidige VVD wel in herkennen. De nadruk op de autonomie van het individu dat niet belemmert mag worden in zijn ontplooiing is een kenmerk van het liberalisme dat we ook terugvinden bij de VVD. De nadruk op de vrije markt die zijn werk moet doen ook. Hij had echter, meer dan de VVD, ook oog voor de onderkant van de samenleving;
Druk de arbeider, dwing hem zich met het meest onmisbare te vergenoegen en gij zult zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, uitdoven.
Stel hem daarentegen tot genietingen boven zijn volstrekte behoefte in staat, en gij zult zijn kracht verhogen, zijn vlijt verdubbelen, en de grond leggen tot algemene beschaving en ontwikkeling van de maatschappij.
Thorbecke was dus van mening dat, wilde een mens floreren en een nuttig lid van deze samenleving kunnen zijn, hij over een bestaansminimum moest beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt. Hij dacht daarbij natuurlijk niet aan mensen met een uitkering. Die bestonden in die tijd niet. Er was nog geen verzorgingsstaat. Hij dacht aan arbeiders. Daarin verschilde hij niet van de socialisten. Als we als algemeen uitgangspunt nemen dat een mens over een bestaansminimum moet beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt wil hij kunnen floreren, dan geldt dit echter ook voor de huidige minima. Thorbecke zou in deze tijd de mensen met een uitkering niet laten stikken. Volgens zijn gedachtegoed moet een fatsoenlijk bestaansminimum gegarandeerd zijn. De VVD, die als liberale partij in de traditie van Thorbecke zou moeten staan, lijkt eerder de tegenovergestelde mening te zijn toegedaan. De VVD meent dat het keihard snoeien in de uitkeringen mensen met een uitkering wel zal stimuleren om de arbeidsmarkt op te gaan. Uitkeringsgerechtigden hebben het volgens de VVD kennelijk te goed. Het is nu al moeilijk om van een uitkering rond te komen. Door de uitkeringen te verlagen zullen de mensen met een uitkering alleen maar dieper de armoede worden ingedreven. Er zullen meer mensen bij de voedselbank terecht komen. Mensen worden alleen maar moedeloos van armoede, ze worden er niet door gemotiveerd. Om met Thorbecke te spreken; ; 'zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, [zal] uitdoven.' Het zorgt er alleen maar voor dat de mensen die toch al in de marge van de samenleving leven, zich nog meer in de steek gelaten voelen en zich nog meer van de samenleving af zullen keren.
Ook op andere punten lijkt het er sterk op dat de VVD van Rutte het gedachtegoed van Thorbecke verraadt. Thorbecke waarschuwde er voor dat het algemeen belang niet moest worden opgeofferd aan het partijbelang. Rutte heeft dit gedaan door te kiezen voor een minderheidscoalitie met het CDA en een bizarre gedoogconstructie met de PVV, wat men niet anders kan zien dan als een staatsrechtelijk monstrum. Alle andere mogelijke coalities heeft Rutte doelbewust onmogelijk gemaakt. Zijn rechtse hobby, een rechtse regering, moest er koste wat het kost doorgedrukt worden.
Niets discrediteert de vertegenwoordiging en de parlementaire regeringsvorm meer, dan wanneer men ziet, dat algemeen belang aan persoonlijke partijzucht wordt opgeofferd.
Het ondermijnt het vertrouwen in de politiek. Gelukkig kunnen wij kiezers politici die zo handelen bij de volgende verkiezingen naar huis sturen. Rutte heeft er ook voor gekozen om te regeren met de kleinst mogelijke meerderheid, zo het al een meerderheid genoemd mag worden. Met een beetje goede wil kan je zeggen dat hij de numerieke meerderheid heeft, hij heeft immers de meeste zeteltjes. Het is de vraag of hij ook de morele meerderheid heeft. Dat lijkt mij niet het geval te zijn. Een regering die afhangt van de steun van een partij als de PVV kan nooit de morele meerderheid hebben.
Komt het op numeriek meerderheid, en nog wel van één of een paar stemmen, dan op morele meerderheid aan?
Kan een ministerie met enige stemmen meerderheid tegen een morele meerderheid regeren?
Het kabinet van Rutte steunt op de kleinst mogelijke meerderheid van één zetel. Zijn coalitie van VVD en CDA heeft 52 zetels en dus geen meerderheid in de tweede kamer. Het is dus formeel een minderheidskabinet. Het kabinet moet het hebben van de gedoogsteun van de PVV, een partij met een bruin luchtje. Met de gedoogsteun van de PVV komen ze aan de krapst mogelijke meerderheid van 76 zetels. De meerderheid van de stemmen hebben ze niet. Dat ze aan de meerderheid in zetelaantallen komen heeft uitsluitend te maken met de verdeling van restzetels. Als alle linkse partijen een lijstverbinding met elkaar waren aangegaan, dan had dit kabinet geen meerderheid gehad. Wilders schermt graag met zijn anderhalf miljoen kiezers. Die zouden we moeten respecteren. De overgrote meerderheid van de kiezers heeft dus niet op Wilders gestemd en een groot aantal van deze mensen walgt van Wilders. Dit kabinet ontbeert draagvlak. Er hoeft maar een kamerlid weg te lopen uit een van de regerende partijen of uit de fractie van de gedoogpartij PVV of het kabinet is haar meerderheid kwijt.
Veel mensen keren zich met recht op morele gronden tegen de PVV en willen niet dat deze partij deelneemt aan het kabinet en ook niet dat deze partij het kabinet gedoogt. Een partij die de fundamenten van de rechtsstaat ondermijnt hoort niet in een kabinet en ook geen kabinet afhankelijk te maken van de gedoogsteun van die partij. De PVV ondermijnt de rechtsstaat onder meer door de discriminatie van moslims. Dit ondermijnt de vrijheid van godsdienst. De vrijheid van godsdienst is een grondrecht. De grondrechten vormen het fundament van onze rechtsstaat. Wie daar aan morrelt, morrelt aan onze rechtsstaat. Oud-premier Lubbers zei het als volgt;
‘Vrijheid van godsdienst – ook van de Islam dus – en geen discriminatie op basis van geloofs- of levensovertuiging behoren wezenskenmerken te blijven van onze rechtsstaat. Daarover mag geen begin van twijfel ontstaan.’
Rutte verliest door in zee te gaan met de PVV de morele meerderheid. Thorbecke zei het als volgt;
Dat het Ministerie de numerieke meerderheid had en behield, zou luttel waarde hebben, zoo ze niet de morele meerderheid tot grond had; de morele meerderheid, welke de Minister, al is hij niet uit de andere voortgekomen, bezit, wanneer de waarheid, het regt, de eischen eener noodzakelijk geworden ontwikkeling aan zijne zijde zijn; wanneer hetgeen hij wil, zijn stelsel, zijn beleid eene bezielende magt worden.
Rutte heeft duidelijk de waarheid en het recht niet aan zijn zijde. Het kabinet komt ook niet voort uit de eisen van een noodzakelijke ontwikkeling. Rutte draagt hierdoor bij aan het ondermijnen van de rechtsstaat;
De constitutionele Monarchie is aan misbruik en bederf onderhevig, voor zooveel zij niet in alle omstandigheden een volkomen waarborg aanbiedt voor het regte gebruik van de regeermagt of van de vrijheid.
Het juiste gebruik van de regeermacht en de vrijheid is onder Rutte duidelijk aan misbruik en bederf onderhevig.
Het is duidelijk dat Rutte de erfenis van Thorbecke verkwanselt en hij zich geen echte liberaal mag noemen. Hij gooit de grondslag van de Nederlandse staat te grabbel. Alles waar we als Nederland trots op mogen zijn en liberalen als Thorbecke dankbaar voor mogen zijn.,wordt achteloos ter zijde geschoven. Dit is de VVD onwaardig. Rutte moest zich schamen. We moeten Rutte hier op aan blijven spreken; Thorbecke is van ons allemaal.
Johan Rudolf Thorbecke werd op 14 februari 1798 geboren als zoon van een tabakshandelaar. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Duitsland, maar de Thorbecke's hadden zich sinds de zeventiende eeuw in Zwolle gevestigd. Ondanks het feit dat zijn ouders het niet breed hadden, kreeg hij alle kans om zijn intelligentie te ontwikkelen. Zijn ouders hebben hem altijd gestimuleerd om door te leren.Van een predikant leerde hij Latijn en Grieks, waardoor Thorbecke de Latijnse school (een voorloper van het gymnasium) al na korte tijd kan verlaten. In 1815 gaat Thorbecke klassieke letteren studeren in Amsterdam. Vanaf 1818 zet hij zijn studie voort in Leiden. In 1820 zal hij promoveren op een dissertatie over de Romeinse redenaar Asinius Pollio.
Na zijn promotie vertrok hij naar Duitsland om daar te gaan werken als privaat-docent. Dat was in die tijd niet ongebruikelijk. Deze periode was belangrijk voor zijn geestelijke vorming. Hij kwam er in aanraking met het Duitse idealisme. Dat was in die tijd een populaire filosofische stroming. Door geldzorgen moest hij weer terug naar Nederland. In 1825 werd jij bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Gent. Als gevolg van de Belgische opstand in 1830 moest hij de stad verlaten. Een jaar later werd Thorbecke benoemd tot hoogleraar diplomatie en moderne geschiedenis aan de Universiteit van Leiden. Hier zou hij onder andere college geven over de grondwet. In 1839 publiceerde hij 'Aanteekening op de Grondwet '. Dit zou een aanzet zijn tot een debat over de grondwet zoals die op dat moment bestond.
In 1836 trouwde Thorbecke met Adelheid Sorger. Zij was negentien jaar jonger dan Thorbecke. In dat jaar kocht hij een huis aan de Garenmarkt. Hij woonde op de Garenmarkt 9. Hij is daar tot 1850 blijven wonen. Thorbecke was iemand die zijn onafhankelijkheid koesterde. Hij maakte op zijn omgeving een koele, hooghartige en ongenaakbare indruk. Hij bleek in intieme kring echter een warme persoonlijkheid. Hij hield van wijn, sigaren en muziek- met name van Mozart en Beethoven.
In 1840 werd hij lid van de zogenaamde dubbele kamer. Tussen 1844 en 1845 was hij lid van de tweede kamer. Hier nam hij het initiatief tot herziening van de grondwet. Hij deed dat samen met acht andere kamerleden (de Negenmannen). Het voorstel werd niet in behandeling genomen. De voorstellen werden 'on-Nederlands' genoemd. Het maakte wel veel discussie los. In 1853, 1863 en 1872 ontving Thorbecke doodsbedreigingen van onbekenden. In het laatste geval was dat in reactie op de mogelijke invoering van een inkomstenbelasting.
In 1848 kwam die nieuwe grondwet er toch. Thorbecke was in dat revolutiejaar aangesteld als voorzitter van de Grondwetscommissie. Koning Willem II was geschrokken van de woelingen in het buitenland. 1848 was niet toevallig het jaar waarin Karl Marx en Friedrich Engels het Communistisch Manifest schreven. In dat jaar waarde er een spook door Europa, zoals Marx schreef. In heel Europa was er sprake van een revolutionaire stemming. In Frankrijk brak de Februarirevolutie uit. Frankrijk werd weer een republiek. Als reactie hierop brak er in Oostenrijk en Hongarije de Maartrevolutie uit. Ook in de Duitse landen heerste een revolutionaire stemming. In heel Europa was het onrustig.De gevestigde machten sidderden. Willem II had goed door dat de zaken niet bij het oude konden blijven. Dat hij met het aanstellen van de Commissie zijn ministers passeerde scheen niet terzake te doen. Zijn hervormingsdrift leek niet voort te komen uit een passie voor het staatsrecht. Hij was er meer op uit om zijn hachje te redden.
De nieuwe grondwet betekende een grote vooruitgang. Er kwamen rechtstreekse verkiezingen. Daarnaast kwam er de ministeriële verantwoordelijkheid en werden de parlementaire bevoegdheden uitgebreid. Het algemene kiesrecht gold alleen nog voor mannen. Vrouwen zouden pas in 1917 kiesrecht krijgen. Met deze grondwet was Nederland eindelijk een moderne staat geworden.
Thorbecke heeft leiding gegeven aan drie kabinetten. Thorbecke was in zijn kabinetten minister van binnenlandse zaken. Daar viel een zeer breed takenpakket onder; binnenlands bestuur, landbouw, handel en nijverheid, armenzorg, onderwijs, waterstaat en volksgezondheid vielen hieronder. De post van minister-president bestond nog niet in zijn tijd.
In het eerste kabinet dat duurde van 1849 tot 1853 had hij constant conflicten met koning Willem II. Zijn tweede kabinet dat zat van 1862 tot 1866 stond vooral in het teken van de infrastructuur. In deze tijd werd het Noordzeekanaal gegraven. Thorbecke was niet bij iedereen populair. In deze periode ontving hij een doodsbedreiging per brief. Wat dat betreft is er dus niets nieuws onder de zon.
Het laatste kabinet Thorbecke duurde van 4 januari 1871 tot 6 juni 1872, de dag dat Thorbecke stierf. In zijn laatste kabinetsperiode had Thorbecke aan Aletta Jacobs als eerste vrouw toestemming gegeven om aan een universiteit te studeren. Dit had hij vijf dagen voor zijn dood nog geregeld.
Thorbecke was een van de grootste staatsmannen die ons land ooit heeft gekend. De grondwet van 1848 is het fundament van onze rechtsstaat. Er zijn later enige wijzigingen aangebracht, maar in grote lijnen is onze grondwet nog steeds dezelfde als die van 1848 . In 1983 heeft de laatste wijziging van de grondwet plaatsgevonden. Het huidige artikel 1, waarin discriminatie wordt verboden, werd toen aan de grondwet toegevoegd. Dit artikel is eigenlijk een logische toevoeging aan de grondwet zoals die bestond. Aan het fundament van onze rechtsstaat kan en mag niet zomaar getornd worden.
Het liberalisme van Thorbecke was geworteld in het Duitse idealisme. Een van de kenmerken van het Duitse idealisme is dat het uitgaat van een analyse van de historische ontwikkeling. Een van de belangrijkste voormannen van het Duitse idealisme is Hegel. Hegel wilde alle kennis in een totaalconcept verenigen. Wetenschap, esthetica, godsdienst en filosofie moesten samenkomen in een groot systeem. De werkelijkheid was in zijn ogen niet statisch, maar de uitkomst van een continu dynamisch proces waarbij nieuwe tegenstellingen telkens weer worden opgeheven. Dit proces noemde Hegel dialectiek. Filosofie was voor Hegel 'haar tijd in gedachten vervat'. Kennis is dus bij Hegel gebonden aan de culturele context en de historische situatie. Kennis is dus niet absoluut. Kennis ontwikkelt zich door tegenstellingen die worden opgeheven. Dus eigenlijk door discussie. Zo bezien kan je het Duits idealisme zien als een basis voor het liberalisme. Niet iedereen zal dit zo zien, maar dit is de manier waarop Thorbecke het zag. Liberalisme gaat ervan uit dat niemand zeker weet wat het goede leven is. Mensen hebben daar verschillende visies op en vullen dat op hun eigen manier in. Daarom moeten vrijgelaten worden om hun leven te leiden zoals ze willen, zolang ze anderen maar niet in hun vrijheid belemmeren (zoals een Amerikaanse rechter zei;'de vrijheid om met je vuist te zwaaien wordt beperkt door de neus van je buurman.') Het is niet aan de staat om in te grijpen voor je eigen bestwil. De VVD noemt zich een liberale partij en ziet zich graag als de erfgenaam van Thorbecke. Laten we eens kijken naar het liberalisme van Thorbecke en laten we kijken naar wat we daarvan terugvinden bij de VVD. Het liberalisme van Thorbecke wordt duidelijk uit een citaat als het volgende;
Liberaal regeren, dat is regeren overeenkomstig de natuurwet, die aan elk wezen een bijzondere bestemming en een eigen scheppingsvermogen heeft toegekend; dat is de algemene voorwaarden verzekeren, onder welke aan alle leden van de staat het zelfstandig handelen, naar de mate van ieders aanleg mogelijk wordt.
Het is niet liberaal, wanneer een regering de ontwikkeling van arbeid en kapitaal, of hun meest vrije en vruchtbare besteding tegenhoudt; wanneer zij een richting zoekt te geven aan hetgeen zijn weg zelf moet vinden; wanneer zij met één woord, in stede voor de mogelijkheid van maatschappelijke ontwikkeling te zorgen, die zelve in de hand nemen wil.
Voor een deel kan je hier het verhaal van de huidige VVD wel in herkennen. De nadruk op de autonomie van het individu dat niet belemmert mag worden in zijn ontplooiing is een kenmerk van het liberalisme dat we ook terugvinden bij de VVD. De nadruk op de vrije markt die zijn werk moet doen ook. Hij had echter, meer dan de VVD, ook oog voor de onderkant van de samenleving;
Druk de arbeider, dwing hem zich met het meest onmisbare te vergenoegen en gij zult zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, uitdoven.
Stel hem daarentegen tot genietingen boven zijn volstrekte behoefte in staat, en gij zult zijn kracht verhogen, zijn vlijt verdubbelen, en de grond leggen tot algemene beschaving en ontwikkeling van de maatschappij.
Thorbecke was dus van mening dat, wilde een mens floreren en een nuttig lid van deze samenleving kunnen zijn, hij over een bestaansminimum moest beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt. Hij dacht daarbij natuurlijk niet aan mensen met een uitkering. Die bestonden in die tijd niet. Er was nog geen verzorgingsstaat. Hij dacht aan arbeiders. Daarin verschilde hij niet van de socialisten. Als we als algemeen uitgangspunt nemen dat een mens over een bestaansminimum moet beschikken dat boven het niveau van de eerste levensbehoeften ligt wil hij kunnen floreren, dan geldt dit echter ook voor de huidige minima. Thorbecke zou in deze tijd de mensen met een uitkering niet laten stikken. Volgens zijn gedachtegoed moet een fatsoenlijk bestaansminimum gegarandeerd zijn. De VVD, die als liberale partij in de traditie van Thorbecke zou moeten staan, lijkt eerder de tegenovergestelde mening te zijn toegedaan. De VVD meent dat het keihard snoeien in de uitkeringen mensen met een uitkering wel zal stimuleren om de arbeidsmarkt op te gaan. Uitkeringsgerechtigden hebben het volgens de VVD kennelijk te goed. Het is nu al moeilijk om van een uitkering rond te komen. Door de uitkeringen te verlagen zullen de mensen met een uitkering alleen maar dieper de armoede worden ingedreven. Er zullen meer mensen bij de voedselbank terecht komen. Mensen worden alleen maar moedeloos van armoede, ze worden er niet door gemotiveerd. Om met Thorbecke te spreken; ; 'zijn ijver, de lust om zijn toestand te verbeteren, [zal] uitdoven.' Het zorgt er alleen maar voor dat de mensen die toch al in de marge van de samenleving leven, zich nog meer in de steek gelaten voelen en zich nog meer van de samenleving af zullen keren.
Ook op andere punten lijkt het er sterk op dat de VVD van Rutte het gedachtegoed van Thorbecke verraadt. Thorbecke waarschuwde er voor dat het algemeen belang niet moest worden opgeofferd aan het partijbelang. Rutte heeft dit gedaan door te kiezen voor een minderheidscoalitie met het CDA en een bizarre gedoogconstructie met de PVV, wat men niet anders kan zien dan als een staatsrechtelijk monstrum. Alle andere mogelijke coalities heeft Rutte doelbewust onmogelijk gemaakt. Zijn rechtse hobby, een rechtse regering, moest er koste wat het kost doorgedrukt worden.
Niets discrediteert de vertegenwoordiging en de parlementaire regeringsvorm meer, dan wanneer men ziet, dat algemeen belang aan persoonlijke partijzucht wordt opgeofferd.
Het ondermijnt het vertrouwen in de politiek. Gelukkig kunnen wij kiezers politici die zo handelen bij de volgende verkiezingen naar huis sturen. Rutte heeft er ook voor gekozen om te regeren met de kleinst mogelijke meerderheid, zo het al een meerderheid genoemd mag worden. Met een beetje goede wil kan je zeggen dat hij de numerieke meerderheid heeft, hij heeft immers de meeste zeteltjes. Het is de vraag of hij ook de morele meerderheid heeft. Dat lijkt mij niet het geval te zijn. Een regering die afhangt van de steun van een partij als de PVV kan nooit de morele meerderheid hebben.
Komt het op numeriek meerderheid, en nog wel van één of een paar stemmen, dan op morele meerderheid aan?
Kan een ministerie met enige stemmen meerderheid tegen een morele meerderheid regeren?
Het kabinet van Rutte steunt op de kleinst mogelijke meerderheid van één zetel. Zijn coalitie van VVD en CDA heeft 52 zetels en dus geen meerderheid in de tweede kamer. Het is dus formeel een minderheidskabinet. Het kabinet moet het hebben van de gedoogsteun van de PVV, een partij met een bruin luchtje. Met de gedoogsteun van de PVV komen ze aan de krapst mogelijke meerderheid van 76 zetels. De meerderheid van de stemmen hebben ze niet. Dat ze aan de meerderheid in zetelaantallen komen heeft uitsluitend te maken met de verdeling van restzetels. Als alle linkse partijen een lijstverbinding met elkaar waren aangegaan, dan had dit kabinet geen meerderheid gehad. Wilders schermt graag met zijn anderhalf miljoen kiezers. Die zouden we moeten respecteren. De overgrote meerderheid van de kiezers heeft dus niet op Wilders gestemd en een groot aantal van deze mensen walgt van Wilders. Dit kabinet ontbeert draagvlak. Er hoeft maar een kamerlid weg te lopen uit een van de regerende partijen of uit de fractie van de gedoogpartij PVV of het kabinet is haar meerderheid kwijt.
Veel mensen keren zich met recht op morele gronden tegen de PVV en willen niet dat deze partij deelneemt aan het kabinet en ook niet dat deze partij het kabinet gedoogt. Een partij die de fundamenten van de rechtsstaat ondermijnt hoort niet in een kabinet en ook geen kabinet afhankelijk te maken van de gedoogsteun van die partij. De PVV ondermijnt de rechtsstaat onder meer door de discriminatie van moslims. Dit ondermijnt de vrijheid van godsdienst. De vrijheid van godsdienst is een grondrecht. De grondrechten vormen het fundament van onze rechtsstaat. Wie daar aan morrelt, morrelt aan onze rechtsstaat. Oud-premier Lubbers zei het als volgt;
‘Vrijheid van godsdienst – ook van de Islam dus – en geen discriminatie op basis van geloofs- of levensovertuiging behoren wezenskenmerken te blijven van onze rechtsstaat. Daarover mag geen begin van twijfel ontstaan.’
Rutte verliest door in zee te gaan met de PVV de morele meerderheid. Thorbecke zei het als volgt;
Dat het Ministerie de numerieke meerderheid had en behield, zou luttel waarde hebben, zoo ze niet de morele meerderheid tot grond had; de morele meerderheid, welke de Minister, al is hij niet uit de andere voortgekomen, bezit, wanneer de waarheid, het regt, de eischen eener noodzakelijk geworden ontwikkeling aan zijne zijde zijn; wanneer hetgeen hij wil, zijn stelsel, zijn beleid eene bezielende magt worden.
Rutte heeft duidelijk de waarheid en het recht niet aan zijn zijde. Het kabinet komt ook niet voort uit de eisen van een noodzakelijke ontwikkeling. Rutte draagt hierdoor bij aan het ondermijnen van de rechtsstaat;
De constitutionele Monarchie is aan misbruik en bederf onderhevig, voor zooveel zij niet in alle omstandigheden een volkomen waarborg aanbiedt voor het regte gebruik van de regeermagt of van de vrijheid.
Het juiste gebruik van de regeermacht en de vrijheid is onder Rutte duidelijk aan misbruik en bederf onderhevig.
Het is duidelijk dat Rutte de erfenis van Thorbecke verkwanselt en hij zich geen echte liberaal mag noemen. Hij gooit de grondslag van de Nederlandse staat te grabbel. Alles waar we als Nederland trots op mogen zijn en liberalen als Thorbecke dankbaar voor mogen zijn.,wordt achteloos ter zijde geschoven. Dit is de VVD onwaardig. Rutte moest zich schamen. We moeten Rutte hier op aan blijven spreken; Thorbecke is van ons allemaal.
dinsdag 19 oktober 2010
De onversneden wijn der vrijheid
Het lijkt er niet best voor te staan met de democratie in Nederland. Het politieke landschap is gefragmenteerd. Schreeuwerige populisten voeren steeds meer de boventoon. Een belangrijk deel van de bevolking voelt zich vervreemd van de politiek. Ed van Thijn heeft de huidige situatie van Nederland wel vergeleken met die van de Weimarrepubliek. Van Thijn: “Er zijn historische voorbeelden te noemen van democratieën die zichzelf opblazen zoals de Weimarrepubliek. Daar stemden de coalities op vleugelpartijen, waardoor er geen coalities meer te vormen waren. Daar was ik altijd bang voor en het is zuur dat het nu werkelijkheid dreigt te worden.”
Van Thijn lijkt gelijk te krijgen. Ook in ons land is er nog nauwelijks een coalitie te vormen. Het heeft er alle schijn van dat we een uiterst wankel kabinet krijgen dat in de kamer slechts kan rekenen op de kleinst mogelijke meerderheid. De overlevingskansen van het kabinet Rutte-Verhagen lijken uiterst gering. Het CDA was, wat je verder van het CDA moge vinden, een stabiele factor in het centrum van de Nederlandse politiek. Het CDA is thans geïmplodeerd. Imploderende sterren laten zwarte gaten achter. Het CDA heeft een groot zwart gat achtergelaten in het centrum van de politiek. Er is op dit moment geen enkele partij die de rol van middenpartij van het CDA zou kunnen overnemen. Alle grote partijen zijn al een aantal verkiezingen op rij aan het slinken. Alleen dat al maakt het moeilijk om een voldoende kritische massa te komen om een stabiel centrum te komen. De politieke agenda wordt niet meer bepaald door het centrum, maar door een schreeuwerige minderheid van populisten op de extreem-rechtse flank van de politiek. Eerder had het electoraat zijn heil gezocht op de linkerklank bij de niet minder populistische SP. Het land lijkt onbestuurbaar te worden. Een machtsvacuüm kan nooit lang voort blijven bestaan.Vroeg of laat zal dit vacuüm gevuld worden door tirannen en dictators. Dat heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Er moet dus iets gebeuren.
Onze democratie is ziek. Voor dat we de patiënt gaan behandelen, moeten we eerst de diagnose stellen. Een aantal symptomen hebben we al genoemd. We moeten nu vaststellen wat de oorzaken zijn en hoe we het ziektebeeld het beste kunnen omschrijven. Laten we ons eerst afvragen of ons probleem een specifiek Nederlands probleem is. Dat lijkt niet het geval te zijn. Het lijkt erop dat de hele Westerse wereld in min of meerdere mate met dezelfde soort problemen te kampen heeft. Dat zou er op kunnen wijzen dat de ziekte heel ernstig is en dat de rot tot in de diepste wortels van onze beschaving zit. Misschien is een genezing niet meer mogelijk en staan we aan de vooravond van wat Oswald Spengler de ondergang van het Avondland noemde.
Beschaving is meer dan democratie. Wanneer onze hele beschaving ziek is, dan zou het kunnen dat de democratie zelf de oorzaak is van het probleem. Dat zou in ieder geval de analyse zijn van filosofen als Plato en Aristoteles. Democratie heeft de neiging om te ontaarden en te vervallen in tirannie. Volgens Plato zal 'de onverzadelijke begeerte naar wat de democratie als hààr goed beschouwt, […] eveneens haar ondergang bewerken.' Dat hoogste goed is de vrijheid. Door de onverzadelijke behoefte en de verwaarlozing van de rest, zou de democratie vanzelf in een dictatuur ontaarden. Leiders die niets en onderdanen die alles te zeggen hebben; dat is de formule van de democratie. Plato voorzag een ondermijning van het gezag. We willen alle vrijheid an dulden geen enkele inperking van die vrijheid. We zwelgen, volgens Plato, aan de onversneden wijn der vrijheid.
Autoriteiten zouden geen erkenning meer krijgen. We zien dat wetenschappers bijvoorbeeld nog maar weinig gezag hebben in onze samenleving. We zagen het in discussies omtrent de vaccinatie tegen de Mexicaanse griep en de discussies omtrent het broeikaseffect. Een willekeurige weblog van een huisvrouw heeft voor veel burgers net zo veel gezag als een gedegen wetenschappelijk rapport. Plato voorzag ook onze huidige cultus van de jeugd;
Jonge snuiters staan helemaal op gelijke voet met bejaarde mensen en nemen het tegen hen op in woord en daad. En de oude mensen passen zich aan bij de jeugd en putten zich uit in grapjes en scherts. Om toch maar niet de indruk van kniezerigheid en bazigheid te verwekken, gaan ook zij de jeugd na-apen.
De mensen raken lichtgeraakt. 'Iemand hoeft ze maar een schijn van dwang proberen op te leggen, en ze gaan aan het gisten.' Dit is een heel herkenbaar beeld in deze tijd waarin we lijden onder de dictatuur van de opgestoken middelvinger. Teveel vrijheid leidt tot ondermijning van diezelfde vrijheid. Volgens Plato ontstaat de democratie als de armen in opstand komen tegen de rijken en de macht overnemen. De volksmassa is niet toegerust om de verantwoordelijkheid van de macht te dragen. Een dergelijke samenleving moet dus wel ontsporen. Ik geloof niet dat deze analyse juist is.
De onlangs overleden Tony Judt maakt een andere analyse. De crisis in onze beschaving en democratie komt volgens hem door de afbrak van de verzorgingsstaat die sinds de jaren zeventig aan de gang is. Daardoor zouden het fatsoen en het vertrouwen in de samenleving verdwijnen. De solidariteit is uit onze samenleving verdwenen. In een samenleving waar we worden beschouwd als egoïstische individuen zullen we ons ook als zodanig gedragen. Het uiteindelijke resultaat lijkt sterk op het beeld dat Plato schetst. De oorzaak is bij Judt een andere. Het lijkt er op dat Marx gelijk had en er een klassenstrijd heeft plaatsgevonden. De rijken hebben hem gewonnen. Of Judt helemaal gelijk heeft weet ik niet, maar hij wijst zeker op een paar zeer wezenlijke problemen.
We hebben nu twee diagnoses die allebei verschillende oorzaken van de ziekte van onze democratie en beschaving vaststellen. Maakt dat nog een verschil uit voor de behandeling? Daar lijkt het wel op. Plato schrijft een paardenmiddel voor. Hij wil de democratie afschaffen en de staat laten leiden door koning-filosofen. Op deze wijze zou de beschaving gered kunnen worden. Het lijkt mij dat de patiënt aan de behandeling zou overlijden.
Judt lijkt niet echt goed te weten hoe de patiënt behandelt moet worden. We moeten van hem bozer zijn over wat we hebben verloren en het sociaal-democratische vertoog gebruiken als tegenwicht tegen het neo-liberalisme. Het is de vraag of dat zal helpen. Is de verzorgingsstaat nog wel te redden in een geglobaliseerde economie?
Het verhaal van Judt kan ook niet het hele verhaal zijn. De deplorabele toestand van onze beschaving en onze democratie kan niet allen te wijten zijn aan de afbraak van de verzorgingsstaat. Het gebrek aan solidariteit ging vooraf aan de afbraak van de verzorgingsstaat. De burger heeft vanaf het tijdperk van Reagan en Thatcher een duidelijke keuze gemaakt voor deze afbraak. Plato lijkt toch meer gelijk te krijgen dan Judt. De onversneden wijn der vrijheid heeft ons dronken gemaakt. Nu zitten we met de kater.
Van Thijn lijkt gelijk te krijgen. Ook in ons land is er nog nauwelijks een coalitie te vormen. Het heeft er alle schijn van dat we een uiterst wankel kabinet krijgen dat in de kamer slechts kan rekenen op de kleinst mogelijke meerderheid. De overlevingskansen van het kabinet Rutte-Verhagen lijken uiterst gering. Het CDA was, wat je verder van het CDA moge vinden, een stabiele factor in het centrum van de Nederlandse politiek. Het CDA is thans geïmplodeerd. Imploderende sterren laten zwarte gaten achter. Het CDA heeft een groot zwart gat achtergelaten in het centrum van de politiek. Er is op dit moment geen enkele partij die de rol van middenpartij van het CDA zou kunnen overnemen. Alle grote partijen zijn al een aantal verkiezingen op rij aan het slinken. Alleen dat al maakt het moeilijk om een voldoende kritische massa te komen om een stabiel centrum te komen. De politieke agenda wordt niet meer bepaald door het centrum, maar door een schreeuwerige minderheid van populisten op de extreem-rechtse flank van de politiek. Eerder had het electoraat zijn heil gezocht op de linkerklank bij de niet minder populistische SP. Het land lijkt onbestuurbaar te worden. Een machtsvacuüm kan nooit lang voort blijven bestaan.Vroeg of laat zal dit vacuüm gevuld worden door tirannen en dictators. Dat heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Er moet dus iets gebeuren.
Onze democratie is ziek. Voor dat we de patiënt gaan behandelen, moeten we eerst de diagnose stellen. Een aantal symptomen hebben we al genoemd. We moeten nu vaststellen wat de oorzaken zijn en hoe we het ziektebeeld het beste kunnen omschrijven. Laten we ons eerst afvragen of ons probleem een specifiek Nederlands probleem is. Dat lijkt niet het geval te zijn. Het lijkt erop dat de hele Westerse wereld in min of meerdere mate met dezelfde soort problemen te kampen heeft. Dat zou er op kunnen wijzen dat de ziekte heel ernstig is en dat de rot tot in de diepste wortels van onze beschaving zit. Misschien is een genezing niet meer mogelijk en staan we aan de vooravond van wat Oswald Spengler de ondergang van het Avondland noemde.
Beschaving is meer dan democratie. Wanneer onze hele beschaving ziek is, dan zou het kunnen dat de democratie zelf de oorzaak is van het probleem. Dat zou in ieder geval de analyse zijn van filosofen als Plato en Aristoteles. Democratie heeft de neiging om te ontaarden en te vervallen in tirannie. Volgens Plato zal 'de onverzadelijke begeerte naar wat de democratie als hààr goed beschouwt, […] eveneens haar ondergang bewerken.' Dat hoogste goed is de vrijheid. Door de onverzadelijke behoefte en de verwaarlozing van de rest, zou de democratie vanzelf in een dictatuur ontaarden. Leiders die niets en onderdanen die alles te zeggen hebben; dat is de formule van de democratie. Plato voorzag een ondermijning van het gezag. We willen alle vrijheid an dulden geen enkele inperking van die vrijheid. We zwelgen, volgens Plato, aan de onversneden wijn der vrijheid.
Autoriteiten zouden geen erkenning meer krijgen. We zien dat wetenschappers bijvoorbeeld nog maar weinig gezag hebben in onze samenleving. We zagen het in discussies omtrent de vaccinatie tegen de Mexicaanse griep en de discussies omtrent het broeikaseffect. Een willekeurige weblog van een huisvrouw heeft voor veel burgers net zo veel gezag als een gedegen wetenschappelijk rapport. Plato voorzag ook onze huidige cultus van de jeugd;
Jonge snuiters staan helemaal op gelijke voet met bejaarde mensen en nemen het tegen hen op in woord en daad. En de oude mensen passen zich aan bij de jeugd en putten zich uit in grapjes en scherts. Om toch maar niet de indruk van kniezerigheid en bazigheid te verwekken, gaan ook zij de jeugd na-apen.
De mensen raken lichtgeraakt. 'Iemand hoeft ze maar een schijn van dwang proberen op te leggen, en ze gaan aan het gisten.' Dit is een heel herkenbaar beeld in deze tijd waarin we lijden onder de dictatuur van de opgestoken middelvinger. Teveel vrijheid leidt tot ondermijning van diezelfde vrijheid. Volgens Plato ontstaat de democratie als de armen in opstand komen tegen de rijken en de macht overnemen. De volksmassa is niet toegerust om de verantwoordelijkheid van de macht te dragen. Een dergelijke samenleving moet dus wel ontsporen. Ik geloof niet dat deze analyse juist is.
De onlangs overleden Tony Judt maakt een andere analyse. De crisis in onze beschaving en democratie komt volgens hem door de afbrak van de verzorgingsstaat die sinds de jaren zeventig aan de gang is. Daardoor zouden het fatsoen en het vertrouwen in de samenleving verdwijnen. De solidariteit is uit onze samenleving verdwenen. In een samenleving waar we worden beschouwd als egoïstische individuen zullen we ons ook als zodanig gedragen. Het uiteindelijke resultaat lijkt sterk op het beeld dat Plato schetst. De oorzaak is bij Judt een andere. Het lijkt er op dat Marx gelijk had en er een klassenstrijd heeft plaatsgevonden. De rijken hebben hem gewonnen. Of Judt helemaal gelijk heeft weet ik niet, maar hij wijst zeker op een paar zeer wezenlijke problemen.
We hebben nu twee diagnoses die allebei verschillende oorzaken van de ziekte van onze democratie en beschaving vaststellen. Maakt dat nog een verschil uit voor de behandeling? Daar lijkt het wel op. Plato schrijft een paardenmiddel voor. Hij wil de democratie afschaffen en de staat laten leiden door koning-filosofen. Op deze wijze zou de beschaving gered kunnen worden. Het lijkt mij dat de patiënt aan de behandeling zou overlijden.
Judt lijkt niet echt goed te weten hoe de patiënt behandelt moet worden. We moeten van hem bozer zijn over wat we hebben verloren en het sociaal-democratische vertoog gebruiken als tegenwicht tegen het neo-liberalisme. Het is de vraag of dat zal helpen. Is de verzorgingsstaat nog wel te redden in een geglobaliseerde economie?
Het verhaal van Judt kan ook niet het hele verhaal zijn. De deplorabele toestand van onze beschaving en onze democratie kan niet allen te wijten zijn aan de afbraak van de verzorgingsstaat. Het gebrek aan solidariteit ging vooraf aan de afbraak van de verzorgingsstaat. De burger heeft vanaf het tijdperk van Reagan en Thatcher een duidelijke keuze gemaakt voor deze afbraak. Plato lijkt toch meer gelijk te krijgen dan Judt. De onversneden wijn der vrijheid heeft ons dronken gemaakt. Nu zitten we met de kater.
vrijdag 6 augustus 2010
De geboorte van de politiek bij de Grieken
Machtsuitoefening is zo oud als de mensheid. Volgens sommigen zien we dit ook al bij bijvoorbeeld chimpansees. Frans De Waal schreef een boek met de titel; 'Chimpansee politiek'. Voor velen staat politiek gelijk aan machtsuitoefening. Ik denk dat dit niet juist is. Volgens de filosoof Hannah Arendt verwijst politiek naar handelende mensen; discussiërende, elkaar overredende mensen die besluiten nemen om specifieke daden uit te voeren. Het op deze manier denken over politiek is bij de Grieken ontstaan. Bij de Grieken ontstond de politieke filosofie. Deze filosofie is onlosmakelijk verbonden met de politiek als zodanig.
Politiek heeft betrekking op een verband van mensen. Het gaat hier niet om om het even welk verband. We denken niet in eerste instantie aan families, sportclubs, verenigingen van postzegelverzamelaars, etc. We denken hierbij in eerste instantie aan de staat. Een 'verband' moet men volgens Berki als volgt definiëren; het is een groep of verzameling van menselijke individuen die niet alleen op een objectieve wijze aan elkaar zijn gerelateerd (zoals door biologische verwantschap), maar ook op een subjectieve wijze, in het bijzonder in die zin dat ze in staat zijn tot communicatie. Individuen die tot een verband behoren moeten weten wat voor betekenis ze aan elkaars taalgebruik hechten en wat alle mogelijke andere symbolen die ze gebruiken betekenen. Ten tweede moet een verband mensen verenigen die gemeenschappelijke belangen of doelen hebben. Ten derde moeten de leden van een verband de validiteit van bepaalde regels met betrekking tot gedrag accepteren. Ten vierde moet er een zekere rolverdeling zijn die er op letten dat de zaken van het verband goed verlopen. Dit kan gebeuren door een of door meerdere individuen. Het gaat ruwweg om degenen die regeren en degenen die geregeerd worden. Ten vijfde moet een verband een eigen 'karakter' hebben. Het gaat hierbij zowel om de doelen van een associatie als de bestaande regels, functies en lidmaatschap van een associatie. Een bedrijf zal winst willen maken. Dit gegeven opzich is echter niet voldoende om het karakter van een bedrijf te begrijpen. Hetzelfde geldt voor een verband als een staat. Bij Berki ligt de nadruk dus nogal op de staat. Politiek lijkt bij hem bij hem verder bij uitstek de kunst van het regeren. Er zijn andere manieren om na te denken over politiek. Hij staat daarbij in een traditie die teruggaat tot Aristoteles. Aristoteles schrijft in zijn politica;
' Onze eigen observatie verteld ons dat elke staat een verband van personen is met een visie op een of ander goed doel. Ik zeg 'goed' omdat mensen in hun handelen altijd streven naar datgene waarvan zij menen dat het goed is. Het is duidelijk dat waar alle verbanden naar het goede streven, er een is het hoogste goed is en die alle anderen omvat. Dat verband noemen we de Staat, en dat type verband noemen we politiek.
Volgens Arendt bestaan er twee fundamentele soorten van denken over politiek. Aan de ene kant kun je de politiek zien als regeren, als een vorm van overheersing door enkele mensen (een, een paar of veel) , wat dreiging met of gebruik van geweld nodig maakt. Maar aan de andere kant kun je over politiek denken als de organisatie of de constitutie van de macht die mensen hebben wanneer ze samenkomen als sprekende en handelende mensen. De de macht van mensen wordt beschermt door een regering die het volk vertegenwoordigt: potestas in populo. Ofwel' power to the people'. Deze vorm van regeren, en geen andere, noemen we democratie. De democratie is een uitvinding van de Grieken. De eerste democratie vinden we in Athene. Democratie betekent de macht van het volk. De Atheens democratie was geen democratie zoals we die tegenwoordig kennen. Vrouwen, slaven, vrijgelatenen en buitenlanders mochten niet meedoen. Het was wel een democratie in die zin dat alle vrije mannen mochten meedoen. De macht was niet meer in handen van een klein groepje aristocraten. Het was een revolutionaire ontwikkeling die samenhing met de opkomst van de stadstaten. Het woord politiek is afgeleid van het Griekse woord voor stadstaat; polis. In de stadstaat, de polis, kwam de politiek tot ontwikkeling. Voor de opkomst van de stadstaten leefden de Grieken in kleinere verbanden, de zogenaamde 'oikos'. Je moet hierbij denken aan een extended family onder leiding van een herenboer. Men leefde in een stam en clan verband. Dit is de wereld van Homerus.
De Grieken stonden niet helemaal alleen in deze ontwikkeling. Ook in Mesopotamië zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Er was daar sprake van stadstaten waar, volgens sommigen, een primitief soort democratie bestond. Toenemende rivaliteit tussen de stadstaten zou dar hebben geleid tot een krachtdadiger en sterker leiderschap. Dit leiderschap concentreerde zich rond de tempelpriester. Deze priester en oorlogsleider zou later zich ontwikkelen tot koning. De sterkste leider die alle andere stadstaten versloeg, zou koning worden. Het was een koningschap beladen met goddelijk gezag. Volgens Sumerische teksten was het koningschap uit de hemel neergedaald. De democratie in Mesopotamië was iets uit een lang vergeten verleden.
In Griekenland zou het anders gaan. Daar zou de democratie wel wortel schieten. Het ontstaan van de democratie ging geleidelijk. Het is moeilijk om een precies beginpunt aan te geven. Het begon in 683 voor Christus, toen het koningschap werd vervangen door het archontaat. De archonten zijn ambtsbekleders voor telkens een jaar. Een volgende mijlpaal volgt in 594 voor Christus als Solon archoon met dictatoriale volmachten wordt. Hij bevrijdt de boeren: de grondschulden en de lijfeigenschap worden opgeheven. Er wordt een maximum voor grondbezit vastgesteld. De macht van de adel wordt ingeperkt door het indelen van de grondebezittende burgers in vier klassen. Er ontstaat een timocratie (heerschappij van de bezittende klasse). Verder volgt er een muntherziening en een wordt het recht schriftelijk vastgelegd. Het streven was de emancipatie van de enkeling tot staatsburger en de bevordering van de handel en ambacht. Er volgt een periode van onrust en tyrannie. In 510 wordt de tyrannie omvergeworpen door Clisthenes. Vanaf dat moment kunnen we echt spreken van democratie. Vanaf dat moment geldt er gelijk recht voor alle staatsburgers. De burgerij wordt ingedeeld in 10 zogenaamde phylen. Deze zijn samengesteld uit een derde van de drie districten (stad, land, kust). Dit ging volgens een loting. Elke phyle stuurt 50 afgevaardigden naar de ' raad der vijfhonderd'. Dit lichaam behandelt voor een periode van 36 dagen de zaken der stad onder een gekozen, dagelijks wisselende voorzitter. Iedere burger neemt deel aan het staatsbestel. Dat de democratie geen vanzelfsprekendheid was en zich steeds weer moest verdedigen blijkt wel uit het feit dat Clisthenes in 508 voor Christus wordt verdreven door Sparta. In 507 keert Clisthenes al weer terug en daarmee de democratie. Sparta en Athene zouden altijd aartsvijanden blijven. Ze staan ook voor verschillende modellen waar de ideale staat aan zou moeten voldoen. Athene staat voor de open, democratische samenleving; Sparta staat voor de gesloten, autoritaire samenleving. Athene heeft een enorme bloeiperiode gekend. Athene werd een economische en militaire grootmacht in de regio en kende een ongekende culturele bloeiperiode. Athene was het culturele centrum van de Griekse cultuur in de klassieke tijd. Sparta was vooral een militaire grootmacht. Sparta heeft op cultureel gebied eigenlijk nooit iets te betekenen gehad. Het koningschap is in Sparta nooit afgeschaft. De mens werd er als individu niet gewaardeerd. De volwassen mannen moesten dagelijks verplicht deelnemen aan een gezamenlijke maaltijd. Er was nauwelijks contact met de buitenwereld. Geld en materieel bezit werd gewantrouwd en zoveel mogelijk ontmoedigd. Sparta heeft in veel opzichten altijd het karakter van een dorp behouden en heeft geen imposante bouwwerken nagelaten.
De grootste staatsman die Athene heeft voortgebracht is ongetwijfeld Pericles. In zijn lijkrede die hij hield ter nagedachtenis van de gesneuvelden van de Peloponesische oorlog (tegen Sparta) heeft hij het ideaal van de Atheense samenleving als geen ander onder woorden gebracht;
Wij hebben een staatsvorm, die niet een navolging is van de wetten van onze buren; neen, wij zijn veeleer zelf een voorbeeld voor menig ander, dan dat anderen ons tot voorbeeld strekken.
De naam van deze staatsvorm is volksregering (democratie), omdat invloed op staatszaken bij ons niet een recht is van weinigen, maar een recht van velen. In geschillen tussen burgers geldt voor allen gelijkheid voor de wetten en met de maatschappelijke beoordeling staat het zo: heeft iemand om iets een bijzonder aanzien, dan dankt hij een hogere onderscheiding in het openbare leven minder aan zijn afkomst dan aan zijn persoonlijke verdienste.
Armoede is geen schande; voor ieder, hoe arm ook, staat de mogelijkheid open, de gemeenschap te dienen... zo hij dat kan.
Vrij leven wij als burgers in onze gemeenschap en in het dagelijkse leven remmen wij elkaars gedragingen niet door spiedende argwaan, want wij zijn niet misnoegd over onze naaste, zo die zich eens buiten de conventies stelt; ja, zelfs onze blik, die wel niet straffen, maar toch pijnlijk steken kan, verraad daarover geen wrevel.
Zonder ergernis dus in onze persoonlijke omgang, begaan wij als staatsburgers, vooral uit diep ontzag, geen wetsovertreding, gehoorzamend aan de opeenvolgende overheden en aan de wetten, in het bijzonder (gehoorzamend) aan die wetten, welke gemaakt zijn tot steun voor hen die onrecht lijden en aan die (weliswaar) ongeschreven wetten, waarvan de overtreding door de openbare mening met schande wordt gebrandmerkt.
Bovendien hebben wij ook, en meer dan anderen, gezorgd voor ontspanning van de geest na de dagelijkse beslommeringen; enerzijds door het instellen van wedstrijden en godsdienstige feesten zonder onderbreking het hele jaar door, anderzijds door smaakvol gerief van onze huizen, waarvan het dagelijks genot alle kwellende gedachten verdrijft.
Alle idealen die wij verbinden met democratie zijn hier verwoord door Pericles; een regering door de meerderheid, gelijkheid voor de wet, aanzien op grond van verdienste en niet op grond van afkomst, de mogelijkheid om op te klimmen in de maatschappij ( wie voor een dubbeltje wordt geboren, kan in een democratie nog altij een kwartje worden), de vrijheid om te leven zoals je dat zelf wilt zolang je de vrijheid van anderen niet belemmert, een vertrouwen in de rechtsstaat en een scheiding van de private en de publieke ruimte(het smaakvol gerief van onze huizen). Met zijn opmerking over het smaakvol gerief van onze huizen lijkt Pericles zelfs vooruit te lopen op ons burgerlijk ideaal van onze samenleving, al zie ik deze oude Griek nog niet zo snel rondlopen bij Ikea.
Er zijn eigenlijk geen auteurs uit Sparta zelf waarmee we de idealen en de normen en waarden waarop de Spartaanse samenleving op is gebaseerd kunnen illustreren. Er waren echter genoeg bewonderaars van Sparta buiten Sparta. Een daarvan was Plutarchus. Hij leefde in een tijd dat Griekenland allang een provincie van het Romeinse rijk was geworden. Plutarchus leefde in de eerste eeuw na christus. In die tijd beleefde Sparta een renaissance.Vroegere gewoonten werden in ere hersteld en toeristen kwamen er een kijkje nemen. Uit het werk van Plutarchus wordt duidelijk dat de Spartanen een hekel aan welsprekendheid hadden. Het is geen wonder dat Sparta nooit een Pericles heeft voortgebracht. De grondwet van Sparta werd volgens de sage opgesteld door Lycurgus, maar was in werkelijkheid het gevolg van een eeuwenlange ontwikkeling. Sparta kende een dubbelkoningschap, een raad der Ouden (gerousia) en een legervergadering. Sparta vormde met de door haar onderworpen stadstaten de staat der Lakedaimoniërs. Sparta werd steeds meer militair van karakter en de latere koningen waren nog uitsluitend legeraanvoerders. Dit was het zogenaamde ephoraat. De ephoren worden in de tweede helft van de zesde eeuw de politieke leiders. De spartanen leven in mannengemeenschappen. De jongemannen tussen de veertien en twintig jaar oud worden door de staat opgevoed. De twintig tot dertig jarigen leven in de krijgsgemeenschap, de ouderen in de spijsgenootschappen (syssitia). De economie is gebaseerd op onoverdraagbare erfelijke landerijen die worden bewerkt door horige boeren (heloten). De heloten wordt jaarlijks de oorlog verklaard en ze worden in het geheim bewaakt (krypteia). De omwoners (Perioiken) hebben meer rechten,maar zijn wel verplicht tot krijgsdienst.
De minachting van de spartanen voor de welsprekendheid blijkt duidelijk uit het volgende citaat van Plutarchus;
De taal van mensen die steeds aan het woord willen zijn, bestaat uit holle frasen zonder enige betekenis, net zoals het zaad van seksueel onverzadigbare mannen bijna altijd onvruchtbaar is en ongeschikt voor de voortplanting.
Het doet denken aan Sarah Palin die president Obama aanvalt op zijn welsprekendheid en het heeft over 'all talk and no real action' en hem omschrijft als 'a guy with a teleprompter'. Het citaat van Plutarchus is onthullend. Het is voer voor psychologen. Uit dit citaat komt een bepaald ideaal van mannelijkheid naar voren.Bij Plutarchus zien we een merkwaardige koppeling van welbespraaktheid met seksualiteit. Echte mannen zijn mannen van weinig woorden. Een welbespraakte man is een slappeling zonder zelfbeheersing die zijn woorden laat stromen zoals zijn zaad. Aangezien een welbespraakte man een slappeling is kan hij dus geen goede leider zijn. Omgekeerd zijn mannen van weinig woorden die de taal van het volk spreken en het 'zeggen zoals het is' kennelijk krachtig en mannelijk en dus goede leiders. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat Sarah Palin ook denkt in deze trant. Palin ontbeert waarschijnlijk de intellectuele bagage om een bewonderaar van Sparta te zijn, maar ze is wel een aanhanger van de gesloten samenleving.
Sparta staat symbool voor deze gesloten samenleving. Popper noemt de gesloten samenleving ook wel de tribale samenleving. De aanhangers van de gesloten samenleving dromen van een oorspronkelijke, zuivere samenleving waar we naar terug zouden moeten gaan. Alles komt goed als we ons onderwerpen aan de tribale gewoontes, eeuwenoude wetten en tradities. Sparta was een samenleving die gebaseerd was op de waarden van de gesloten samenleving. Sparta had een heel eigen wijze om gehoor te geven aan de stem van het volk;
De verkiezing (van een lid voor de Raad der Ouden) verliep als volgt. Eerst kwam de Volksvergadering bijeen om mannen te kiezen die in een belendend vertrek werden opgesloten. Daar konden ze niet zien wat zich afspeelde, en waren ze zelf ook onzichtbaar. Alleen de kreten van het verzamelde volk drongen tot hun door. Zoals te doen gebruikelijk, werd ook nu weer bij acclamatie een keuze gemaakt uit de kandidaten, die niet allemaal tegelijk optraden, maar een voor een in een door het lot bepaalde volgorde (het gebouw van de volksvergadering) werden binnengebracht, en daar zinder een kik te geven op en neer door de menigte liepen. De mannen die in de ruimte zaten opgesloten, hadden schrijftabletten bij zich waarop ze de sterkte van het geschreeuw noteerden, zonder te weten voor welke persoon dat was bedoeld. Het enige wat ze hoorden, was of iemand de eerste, tweede of derde was van degenen die werden binnengebracht. Wie de meeste bijval kreeg werd benoemd.
Het had iets weg van een Idolsverkiezing waarbij de grootste schreeuwlelijken hun zin kregen. Het lijkt me geen gezonde basis voor een samenleving, al zijn er waarschijnlijk volksstammen die dit zien als het hoogste ideaal van democratie.
Sparta werd omdat het een gesloten samenleving was in hoge mate bewondert door Plato die een grote afkeer had van de democratie. Wat de samenleving nodig heeft is een sterke leider. In het geval van Plato een koning-filosoof. Voor Plato is een filosoof iemand die nieuwsgierig is naar en zicht heeft op de goddelijke wereld der Ideeën. Vanwege deze kwaliteiten kan hij de stichter van een deugdzame stad (polis) worden. ' De wijsgeer gaat met het goddelijke en het ordentelijke [om[ :zo wordt hij zelf ook ordelijk, en zelfs [...] goddelijk '. Een filosoof beschikt bij Plato over bijzondere gaven en inzichten die normale mensen niet hebben.
De meeste politici die uitgaan van de gedachte van de gesloten samenleving zullen tegenwoordig niet meer zo ver gaan als Plato. Wilders zal niet zo snel roepen dat hij een bijzonder inzicht heeft in een goddelijke werkelijkheid. Hij roept wel dat hij weet wat 'het volk' wil. Hij vertegenwoordigt de stem van 'het volk'. Als Wilders spreekt, dan spreekt hij namens 'het volk'. Hij weet precies wat 'het volk' denkt. Dat zou je ook wel een bijzonder inzicht kunnen noemen.
De gesloten samenleving wordt gedragen door een sterke leider en een stamgevoel. Bij Wilders vinden deze beide elementen terug. We zien bij Wilders ook voor de gesloten samenleving kenmerkende hang naar een geïdealiseerd verleden, lees het verkiezingsprogramma van de PVV er maar op na;
Nederlanders zijn een volk dat zijn gelijke niet kent. We zijn geboren uit een Opstand, een vrijheidsstrijd. Onze voorouders hebben een zompige moerasdelta omgevormd tot iets waar de hele wereld jaloers op is. Hier, achter de dijken, is een welvaart en een solidariteit bereikt die zijn gelijke niet kende, met vrijheid voor iedereen en met van oudsher een tolerantie tegen mensen die ook tolerant waren.
Het is ook duidelijk dat dit gedroomde Nederland een vijand heeft. Niet alleen de Islam is een vijand voor Wilders, de moderniteit is dat evenzeer;
Ondertussen bestaat bij velen het gevoel dat we Nederland aan het kwijtraken zijn. Wijk na wijk, straat na straat, school na school wordt geïslamiseerd. De massa-immigratie bereikt jaar op jaar een triest record en zal de komende jaren alleen nog maar verder exploderen. Criminaliteit tiert welig. Onze vlag wappert niet meer in vrijheid maar moet een vlag naast zich tolereren van een Europese superstaat.
Bij veel van de problemen die Nederland teisteren is de diagnose hetzelfde: elites zijn losgeslagen van de werkelijkheid en zijn op eigen houtje dingen gaan doen waar gewone mensen niet beter van worden. Onze elites hebben zich bekeerd tot de illusie dat alle culturen (en daaraan verbonden waarden) gelijk zijn. Alles moet kunnen. Er bestaat geen goed of kwaad, alle culturen zijn voor hen gelijk, de islam of het christendom, meisjesbesnijdenis, handen schudden of niet - wat maakt het uit.
Onze trots waar Nederlanders met overtuiging decennialang een gedeelte van hun salaris aan hebben overgemaakt, de verzorgingsstaat, is verworden tot een magneet voor gelukszoekers uit islamitische landen. Niet meer een schild voor de zwakken, maar een afhaalloket voor onevenredig veel lanterfantende moslimimmigranten. Henk en Ingrid betalen voor Ali en Fatima.
Een vergelijking met Hitler gaat niet helemaal op. Het is moeilijk om in Mein Kampf een lofzang op Duitsland te vinden die te vergelijken is met de lofzang van Wilders op Nederland. Hitler is veel meer bezig met het gevaar van de joden dan Wilders met het gevaar van de islam. De manier waar op Wilders te keer gaat tegen de 'elite' is tam vergeleken met de uitbarstingen van Hitler. Er is alle reden om behoedzaam te zijn om Wilders in het rechts-extremistische kamp te plaatsen. Populisten als Wilders zijn niet hetzelfde als de fascisten uit de twintigste eeuw. Toch moeten we waakzaam zijn We zien bij Wilders en andere populisten wel tendensen die we bij Hitler en andere fascisten ook hebben gezien. Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat de geschiedenis zich op een identieke manier zou herhalen en dat de vijand er precies hetzelfde uit zou zien. Dat zou te gemakkelijk zijn. Wilders hoeft niet op Hitler te lijken om gevaarlijk te zijn. Wilders is gevaarlijk omdat hij, als het er op aankomt, het ideaal van de gesloten samenleving vertegenwoordigt. Het collectivisme waar deze samenleving op draait is nooit ver weg; in onschuldige vorm als bijvoorbeeld de oranje-gekte, in kwaadaardige vorm als het populisme van figuren als Wilders.
Wat maakt de gesloten samenleving populair? Volgens Popper komt dat door wat hij de druk van de beschaving noemt. Het is een druk die onvermijdelijk is, maar die sommigen niet kunnen verdragen;
Deze druk, dit onbehagen is een gevolg van de ineenstorting van de gesloten samenleving. Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld, vooral in tijden van sociale verandering. Het is de druk die wordt veroorzaakt door de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen. We moeten, zo geloof ik, deze druk aanvaarden als de prijs die we betalen voor elke toename van kennis, van redelijkheid, van samenwerking en van wederzijdse steun, en dientengevolge van onze overlevingskansen,en ten slotte van de bevolkingsgroei. Het is de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.
Een van de inspanningen die de druk van de beschaving op ons leggen is de eis tot reflectie. Volgens Hannah Arendt komt het kwaad niet in de eerste plaats voort uit kwaadwillendheid, maar uit onnadenkendheid. Het grote voorbeeld van het kwaad dat voortkomt uit onnadenkendheid is wat haar betreft Adolf Eichmann;
Hij heeft er alleen maar nooit bij stilgestaan wat hij eigenlijk deed. [..] Hij was niet dom. Het was in zekere zin pure gedachteloosheid – iets heel anders dan domheid – die hem ervoor predisponeerde een van de grootste misdadigers van de mensheid te worden. En al mag het dan “banaal” zijn, of zelfs komisch, dat men met de beste wil van de wereld geen demonische kant aan hem kan ontdekken, “gewoon” is het daarom allerminst.
De Nazi's gelden nog altijd als het symbool van het kwaad. Voor velen vertegenwoordigen ze het radicale of absolute kwaad. De ellende is dat dit niet het geval is. Iemand als Eichmann vertegenwoordigt volgens Arendt de banaliteit van het kwaad. Eichmann was geen baarlijke duivel, maar een gewone, wat onbenullige man. Eichmann zou je buurman kunnen zijn. We zouden allemaal ten prooi kunnen vallen aan dit kwaad. Door onnadenkendheid. We moeten dus stil staan bij wat we doen. We moeten waakzaam zijn voor de gevaren die onze open, democratische samenleving bedreigen. We moeten er voor zorgen dat de misdaden die de gesloten samenleving kenmerken nooit meer kunnen plaatsvinden.
We staan voor een keuze; kiezen voor Sparta of kiezen we voor Athene? Kiezen we voor een open samenleving of voor een gesloten samenleving? Kiezen we voor de beschaving
of kiezen we voor het barbarendom? De keuze lijkt me helder. Laten we kiezen voor de beschaving en de barbarij nooit meer een kans geven.
Politiek heeft betrekking op een verband van mensen. Het gaat hier niet om om het even welk verband. We denken niet in eerste instantie aan families, sportclubs, verenigingen van postzegelverzamelaars, etc. We denken hierbij in eerste instantie aan de staat. Een 'verband' moet men volgens Berki als volgt definiëren; het is een groep of verzameling van menselijke individuen die niet alleen op een objectieve wijze aan elkaar zijn gerelateerd (zoals door biologische verwantschap), maar ook op een subjectieve wijze, in het bijzonder in die zin dat ze in staat zijn tot communicatie. Individuen die tot een verband behoren moeten weten wat voor betekenis ze aan elkaars taalgebruik hechten en wat alle mogelijke andere symbolen die ze gebruiken betekenen. Ten tweede moet een verband mensen verenigen die gemeenschappelijke belangen of doelen hebben. Ten derde moeten de leden van een verband de validiteit van bepaalde regels met betrekking tot gedrag accepteren. Ten vierde moet er een zekere rolverdeling zijn die er op letten dat de zaken van het verband goed verlopen. Dit kan gebeuren door een of door meerdere individuen. Het gaat ruwweg om degenen die regeren en degenen die geregeerd worden. Ten vijfde moet een verband een eigen 'karakter' hebben. Het gaat hierbij zowel om de doelen van een associatie als de bestaande regels, functies en lidmaatschap van een associatie. Een bedrijf zal winst willen maken. Dit gegeven opzich is echter niet voldoende om het karakter van een bedrijf te begrijpen. Hetzelfde geldt voor een verband als een staat. Bij Berki ligt de nadruk dus nogal op de staat. Politiek lijkt bij hem bij hem verder bij uitstek de kunst van het regeren. Er zijn andere manieren om na te denken over politiek. Hij staat daarbij in een traditie die teruggaat tot Aristoteles. Aristoteles schrijft in zijn politica;
' Onze eigen observatie verteld ons dat elke staat een verband van personen is met een visie op een of ander goed doel. Ik zeg 'goed' omdat mensen in hun handelen altijd streven naar datgene waarvan zij menen dat het goed is. Het is duidelijk dat waar alle verbanden naar het goede streven, er een is het hoogste goed is en die alle anderen omvat. Dat verband noemen we de Staat, en dat type verband noemen we politiek.
Volgens Arendt bestaan er twee fundamentele soorten van denken over politiek. Aan de ene kant kun je de politiek zien als regeren, als een vorm van overheersing door enkele mensen (een, een paar of veel) , wat dreiging met of gebruik van geweld nodig maakt. Maar aan de andere kant kun je over politiek denken als de organisatie of de constitutie van de macht die mensen hebben wanneer ze samenkomen als sprekende en handelende mensen. De de macht van mensen wordt beschermt door een regering die het volk vertegenwoordigt: potestas in populo. Ofwel' power to the people'. Deze vorm van regeren, en geen andere, noemen we democratie. De democratie is een uitvinding van de Grieken. De eerste democratie vinden we in Athene. Democratie betekent de macht van het volk. De Atheens democratie was geen democratie zoals we die tegenwoordig kennen. Vrouwen, slaven, vrijgelatenen en buitenlanders mochten niet meedoen. Het was wel een democratie in die zin dat alle vrije mannen mochten meedoen. De macht was niet meer in handen van een klein groepje aristocraten. Het was een revolutionaire ontwikkeling die samenhing met de opkomst van de stadstaten. Het woord politiek is afgeleid van het Griekse woord voor stadstaat; polis. In de stadstaat, de polis, kwam de politiek tot ontwikkeling. Voor de opkomst van de stadstaten leefden de Grieken in kleinere verbanden, de zogenaamde 'oikos'. Je moet hierbij denken aan een extended family onder leiding van een herenboer. Men leefde in een stam en clan verband. Dit is de wereld van Homerus.
De Grieken stonden niet helemaal alleen in deze ontwikkeling. Ook in Mesopotamië zien we een vergelijkbare ontwikkeling. Er was daar sprake van stadstaten waar, volgens sommigen, een primitief soort democratie bestond. Toenemende rivaliteit tussen de stadstaten zou dar hebben geleid tot een krachtdadiger en sterker leiderschap. Dit leiderschap concentreerde zich rond de tempelpriester. Deze priester en oorlogsleider zou later zich ontwikkelen tot koning. De sterkste leider die alle andere stadstaten versloeg, zou koning worden. Het was een koningschap beladen met goddelijk gezag. Volgens Sumerische teksten was het koningschap uit de hemel neergedaald. De democratie in Mesopotamië was iets uit een lang vergeten verleden.
In Griekenland zou het anders gaan. Daar zou de democratie wel wortel schieten. Het ontstaan van de democratie ging geleidelijk. Het is moeilijk om een precies beginpunt aan te geven. Het begon in 683 voor Christus, toen het koningschap werd vervangen door het archontaat. De archonten zijn ambtsbekleders voor telkens een jaar. Een volgende mijlpaal volgt in 594 voor Christus als Solon archoon met dictatoriale volmachten wordt. Hij bevrijdt de boeren: de grondschulden en de lijfeigenschap worden opgeheven. Er wordt een maximum voor grondbezit vastgesteld. De macht van de adel wordt ingeperkt door het indelen van de grondebezittende burgers in vier klassen. Er ontstaat een timocratie (heerschappij van de bezittende klasse). Verder volgt er een muntherziening en een wordt het recht schriftelijk vastgelegd. Het streven was de emancipatie van de enkeling tot staatsburger en de bevordering van de handel en ambacht. Er volgt een periode van onrust en tyrannie. In 510 wordt de tyrannie omvergeworpen door Clisthenes. Vanaf dat moment kunnen we echt spreken van democratie. Vanaf dat moment geldt er gelijk recht voor alle staatsburgers. De burgerij wordt ingedeeld in 10 zogenaamde phylen. Deze zijn samengesteld uit een derde van de drie districten (stad, land, kust). Dit ging volgens een loting. Elke phyle stuurt 50 afgevaardigden naar de ' raad der vijfhonderd'. Dit lichaam behandelt voor een periode van 36 dagen de zaken der stad onder een gekozen, dagelijks wisselende voorzitter. Iedere burger neemt deel aan het staatsbestel. Dat de democratie geen vanzelfsprekendheid was en zich steeds weer moest verdedigen blijkt wel uit het feit dat Clisthenes in 508 voor Christus wordt verdreven door Sparta. In 507 keert Clisthenes al weer terug en daarmee de democratie. Sparta en Athene zouden altijd aartsvijanden blijven. Ze staan ook voor verschillende modellen waar de ideale staat aan zou moeten voldoen. Athene staat voor de open, democratische samenleving; Sparta staat voor de gesloten, autoritaire samenleving. Athene heeft een enorme bloeiperiode gekend. Athene werd een economische en militaire grootmacht in de regio en kende een ongekende culturele bloeiperiode. Athene was het culturele centrum van de Griekse cultuur in de klassieke tijd. Sparta was vooral een militaire grootmacht. Sparta heeft op cultureel gebied eigenlijk nooit iets te betekenen gehad. Het koningschap is in Sparta nooit afgeschaft. De mens werd er als individu niet gewaardeerd. De volwassen mannen moesten dagelijks verplicht deelnemen aan een gezamenlijke maaltijd. Er was nauwelijks contact met de buitenwereld. Geld en materieel bezit werd gewantrouwd en zoveel mogelijk ontmoedigd. Sparta heeft in veel opzichten altijd het karakter van een dorp behouden en heeft geen imposante bouwwerken nagelaten.
De grootste staatsman die Athene heeft voortgebracht is ongetwijfeld Pericles. In zijn lijkrede die hij hield ter nagedachtenis van de gesneuvelden van de Peloponesische oorlog (tegen Sparta) heeft hij het ideaal van de Atheense samenleving als geen ander onder woorden gebracht;
Wij hebben een staatsvorm, die niet een navolging is van de wetten van onze buren; neen, wij zijn veeleer zelf een voorbeeld voor menig ander, dan dat anderen ons tot voorbeeld strekken.
De naam van deze staatsvorm is volksregering (democratie), omdat invloed op staatszaken bij ons niet een recht is van weinigen, maar een recht van velen. In geschillen tussen burgers geldt voor allen gelijkheid voor de wetten en met de maatschappelijke beoordeling staat het zo: heeft iemand om iets een bijzonder aanzien, dan dankt hij een hogere onderscheiding in het openbare leven minder aan zijn afkomst dan aan zijn persoonlijke verdienste.
Armoede is geen schande; voor ieder, hoe arm ook, staat de mogelijkheid open, de gemeenschap te dienen... zo hij dat kan.
Vrij leven wij als burgers in onze gemeenschap en in het dagelijkse leven remmen wij elkaars gedragingen niet door spiedende argwaan, want wij zijn niet misnoegd over onze naaste, zo die zich eens buiten de conventies stelt; ja, zelfs onze blik, die wel niet straffen, maar toch pijnlijk steken kan, verraad daarover geen wrevel.
Zonder ergernis dus in onze persoonlijke omgang, begaan wij als staatsburgers, vooral uit diep ontzag, geen wetsovertreding, gehoorzamend aan de opeenvolgende overheden en aan de wetten, in het bijzonder (gehoorzamend) aan die wetten, welke gemaakt zijn tot steun voor hen die onrecht lijden en aan die (weliswaar) ongeschreven wetten, waarvan de overtreding door de openbare mening met schande wordt gebrandmerkt.
Bovendien hebben wij ook, en meer dan anderen, gezorgd voor ontspanning van de geest na de dagelijkse beslommeringen; enerzijds door het instellen van wedstrijden en godsdienstige feesten zonder onderbreking het hele jaar door, anderzijds door smaakvol gerief van onze huizen, waarvan het dagelijks genot alle kwellende gedachten verdrijft.
Alle idealen die wij verbinden met democratie zijn hier verwoord door Pericles; een regering door de meerderheid, gelijkheid voor de wet, aanzien op grond van verdienste en niet op grond van afkomst, de mogelijkheid om op te klimmen in de maatschappij ( wie voor een dubbeltje wordt geboren, kan in een democratie nog altij een kwartje worden), de vrijheid om te leven zoals je dat zelf wilt zolang je de vrijheid van anderen niet belemmert, een vertrouwen in de rechtsstaat en een scheiding van de private en de publieke ruimte(het smaakvol gerief van onze huizen). Met zijn opmerking over het smaakvol gerief van onze huizen lijkt Pericles zelfs vooruit te lopen op ons burgerlijk ideaal van onze samenleving, al zie ik deze oude Griek nog niet zo snel rondlopen bij Ikea.
Er zijn eigenlijk geen auteurs uit Sparta zelf waarmee we de idealen en de normen en waarden waarop de Spartaanse samenleving op is gebaseerd kunnen illustreren. Er waren echter genoeg bewonderaars van Sparta buiten Sparta. Een daarvan was Plutarchus. Hij leefde in een tijd dat Griekenland allang een provincie van het Romeinse rijk was geworden. Plutarchus leefde in de eerste eeuw na christus. In die tijd beleefde Sparta een renaissance.Vroegere gewoonten werden in ere hersteld en toeristen kwamen er een kijkje nemen. Uit het werk van Plutarchus wordt duidelijk dat de Spartanen een hekel aan welsprekendheid hadden. Het is geen wonder dat Sparta nooit een Pericles heeft voortgebracht. De grondwet van Sparta werd volgens de sage opgesteld door Lycurgus, maar was in werkelijkheid het gevolg van een eeuwenlange ontwikkeling. Sparta kende een dubbelkoningschap, een raad der Ouden (gerousia) en een legervergadering. Sparta vormde met de door haar onderworpen stadstaten de staat der Lakedaimoniërs. Sparta werd steeds meer militair van karakter en de latere koningen waren nog uitsluitend legeraanvoerders. Dit was het zogenaamde ephoraat. De ephoren worden in de tweede helft van de zesde eeuw de politieke leiders. De spartanen leven in mannengemeenschappen. De jongemannen tussen de veertien en twintig jaar oud worden door de staat opgevoed. De twintig tot dertig jarigen leven in de krijgsgemeenschap, de ouderen in de spijsgenootschappen (syssitia). De economie is gebaseerd op onoverdraagbare erfelijke landerijen die worden bewerkt door horige boeren (heloten). De heloten wordt jaarlijks de oorlog verklaard en ze worden in het geheim bewaakt (krypteia). De omwoners (Perioiken) hebben meer rechten,maar zijn wel verplicht tot krijgsdienst.
De minachting van de spartanen voor de welsprekendheid blijkt duidelijk uit het volgende citaat van Plutarchus;
De taal van mensen die steeds aan het woord willen zijn, bestaat uit holle frasen zonder enige betekenis, net zoals het zaad van seksueel onverzadigbare mannen bijna altijd onvruchtbaar is en ongeschikt voor de voortplanting.
Het doet denken aan Sarah Palin die president Obama aanvalt op zijn welsprekendheid en het heeft over 'all talk and no real action' en hem omschrijft als 'a guy with a teleprompter'. Het citaat van Plutarchus is onthullend. Het is voer voor psychologen. Uit dit citaat komt een bepaald ideaal van mannelijkheid naar voren.Bij Plutarchus zien we een merkwaardige koppeling van welbespraaktheid met seksualiteit. Echte mannen zijn mannen van weinig woorden. Een welbespraakte man is een slappeling zonder zelfbeheersing die zijn woorden laat stromen zoals zijn zaad. Aangezien een welbespraakte man een slappeling is kan hij dus geen goede leider zijn. Omgekeerd zijn mannen van weinig woorden die de taal van het volk spreken en het 'zeggen zoals het is' kennelijk krachtig en mannelijk en dus goede leiders. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat Sarah Palin ook denkt in deze trant. Palin ontbeert waarschijnlijk de intellectuele bagage om een bewonderaar van Sparta te zijn, maar ze is wel een aanhanger van de gesloten samenleving.
Sparta staat symbool voor deze gesloten samenleving. Popper noemt de gesloten samenleving ook wel de tribale samenleving. De aanhangers van de gesloten samenleving dromen van een oorspronkelijke, zuivere samenleving waar we naar terug zouden moeten gaan. Alles komt goed als we ons onderwerpen aan de tribale gewoontes, eeuwenoude wetten en tradities. Sparta was een samenleving die gebaseerd was op de waarden van de gesloten samenleving. Sparta had een heel eigen wijze om gehoor te geven aan de stem van het volk;
De verkiezing (van een lid voor de Raad der Ouden) verliep als volgt. Eerst kwam de Volksvergadering bijeen om mannen te kiezen die in een belendend vertrek werden opgesloten. Daar konden ze niet zien wat zich afspeelde, en waren ze zelf ook onzichtbaar. Alleen de kreten van het verzamelde volk drongen tot hun door. Zoals te doen gebruikelijk, werd ook nu weer bij acclamatie een keuze gemaakt uit de kandidaten, die niet allemaal tegelijk optraden, maar een voor een in een door het lot bepaalde volgorde (het gebouw van de volksvergadering) werden binnengebracht, en daar zinder een kik te geven op en neer door de menigte liepen. De mannen die in de ruimte zaten opgesloten, hadden schrijftabletten bij zich waarop ze de sterkte van het geschreeuw noteerden, zonder te weten voor welke persoon dat was bedoeld. Het enige wat ze hoorden, was of iemand de eerste, tweede of derde was van degenen die werden binnengebracht. Wie de meeste bijval kreeg werd benoemd.
Het had iets weg van een Idolsverkiezing waarbij de grootste schreeuwlelijken hun zin kregen. Het lijkt me geen gezonde basis voor een samenleving, al zijn er waarschijnlijk volksstammen die dit zien als het hoogste ideaal van democratie.
Sparta werd omdat het een gesloten samenleving was in hoge mate bewondert door Plato die een grote afkeer had van de democratie. Wat de samenleving nodig heeft is een sterke leider. In het geval van Plato een koning-filosoof. Voor Plato is een filosoof iemand die nieuwsgierig is naar en zicht heeft op de goddelijke wereld der Ideeën. Vanwege deze kwaliteiten kan hij de stichter van een deugdzame stad (polis) worden. ' De wijsgeer gaat met het goddelijke en het ordentelijke [om[ :zo wordt hij zelf ook ordelijk, en zelfs [...] goddelijk '. Een filosoof beschikt bij Plato over bijzondere gaven en inzichten die normale mensen niet hebben.
De meeste politici die uitgaan van de gedachte van de gesloten samenleving zullen tegenwoordig niet meer zo ver gaan als Plato. Wilders zal niet zo snel roepen dat hij een bijzonder inzicht heeft in een goddelijke werkelijkheid. Hij roept wel dat hij weet wat 'het volk' wil. Hij vertegenwoordigt de stem van 'het volk'. Als Wilders spreekt, dan spreekt hij namens 'het volk'. Hij weet precies wat 'het volk' denkt. Dat zou je ook wel een bijzonder inzicht kunnen noemen.
De gesloten samenleving wordt gedragen door een sterke leider en een stamgevoel. Bij Wilders vinden deze beide elementen terug. We zien bij Wilders ook voor de gesloten samenleving kenmerkende hang naar een geïdealiseerd verleden, lees het verkiezingsprogramma van de PVV er maar op na;
Nederlanders zijn een volk dat zijn gelijke niet kent. We zijn geboren uit een Opstand, een vrijheidsstrijd. Onze voorouders hebben een zompige moerasdelta omgevormd tot iets waar de hele wereld jaloers op is. Hier, achter de dijken, is een welvaart en een solidariteit bereikt die zijn gelijke niet kende, met vrijheid voor iedereen en met van oudsher een tolerantie tegen mensen die ook tolerant waren.
Het is ook duidelijk dat dit gedroomde Nederland een vijand heeft. Niet alleen de Islam is een vijand voor Wilders, de moderniteit is dat evenzeer;
Ondertussen bestaat bij velen het gevoel dat we Nederland aan het kwijtraken zijn. Wijk na wijk, straat na straat, school na school wordt geïslamiseerd. De massa-immigratie bereikt jaar op jaar een triest record en zal de komende jaren alleen nog maar verder exploderen. Criminaliteit tiert welig. Onze vlag wappert niet meer in vrijheid maar moet een vlag naast zich tolereren van een Europese superstaat.
Bij veel van de problemen die Nederland teisteren is de diagnose hetzelfde: elites zijn losgeslagen van de werkelijkheid en zijn op eigen houtje dingen gaan doen waar gewone mensen niet beter van worden. Onze elites hebben zich bekeerd tot de illusie dat alle culturen (en daaraan verbonden waarden) gelijk zijn. Alles moet kunnen. Er bestaat geen goed of kwaad, alle culturen zijn voor hen gelijk, de islam of het christendom, meisjesbesnijdenis, handen schudden of niet - wat maakt het uit.
Onze trots waar Nederlanders met overtuiging decennialang een gedeelte van hun salaris aan hebben overgemaakt, de verzorgingsstaat, is verworden tot een magneet voor gelukszoekers uit islamitische landen. Niet meer een schild voor de zwakken, maar een afhaalloket voor onevenredig veel lanterfantende moslimimmigranten. Henk en Ingrid betalen voor Ali en Fatima.
Een vergelijking met Hitler gaat niet helemaal op. Het is moeilijk om in Mein Kampf een lofzang op Duitsland te vinden die te vergelijken is met de lofzang van Wilders op Nederland. Hitler is veel meer bezig met het gevaar van de joden dan Wilders met het gevaar van de islam. De manier waar op Wilders te keer gaat tegen de 'elite' is tam vergeleken met de uitbarstingen van Hitler. Er is alle reden om behoedzaam te zijn om Wilders in het rechts-extremistische kamp te plaatsen. Populisten als Wilders zijn niet hetzelfde als de fascisten uit de twintigste eeuw. Toch moeten we waakzaam zijn We zien bij Wilders en andere populisten wel tendensen die we bij Hitler en andere fascisten ook hebben gezien. Het zou naïef zijn om te veronderstellen dat de geschiedenis zich op een identieke manier zou herhalen en dat de vijand er precies hetzelfde uit zou zien. Dat zou te gemakkelijk zijn. Wilders hoeft niet op Hitler te lijken om gevaarlijk te zijn. Wilders is gevaarlijk omdat hij, als het er op aankomt, het ideaal van de gesloten samenleving vertegenwoordigt. Het collectivisme waar deze samenleving op draait is nooit ver weg; in onschuldige vorm als bijvoorbeeld de oranje-gekte, in kwaadaardige vorm als het populisme van figuren als Wilders.
Wat maakt de gesloten samenleving populair? Volgens Popper komt dat door wat hij de druk van de beschaving noemt. Het is een druk die onvermijdelijk is, maar die sommigen niet kunnen verdragen;
Deze druk, dit onbehagen is een gevolg van de ineenstorting van de gesloten samenleving. Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld, vooral in tijden van sociale verandering. Het is de druk die wordt veroorzaakt door de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen. We moeten, zo geloof ik, deze druk aanvaarden als de prijs die we betalen voor elke toename van kennis, van redelijkheid, van samenwerking en van wederzijdse steun, en dientengevolge van onze overlevingskansen,en ten slotte van de bevolkingsgroei. Het is de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.
Een van de inspanningen die de druk van de beschaving op ons leggen is de eis tot reflectie. Volgens Hannah Arendt komt het kwaad niet in de eerste plaats voort uit kwaadwillendheid, maar uit onnadenkendheid. Het grote voorbeeld van het kwaad dat voortkomt uit onnadenkendheid is wat haar betreft Adolf Eichmann;
Hij heeft er alleen maar nooit bij stilgestaan wat hij eigenlijk deed. [..] Hij was niet dom. Het was in zekere zin pure gedachteloosheid – iets heel anders dan domheid – die hem ervoor predisponeerde een van de grootste misdadigers van de mensheid te worden. En al mag het dan “banaal” zijn, of zelfs komisch, dat men met de beste wil van de wereld geen demonische kant aan hem kan ontdekken, “gewoon” is het daarom allerminst.
De Nazi's gelden nog altijd als het symbool van het kwaad. Voor velen vertegenwoordigen ze het radicale of absolute kwaad. De ellende is dat dit niet het geval is. Iemand als Eichmann vertegenwoordigt volgens Arendt de banaliteit van het kwaad. Eichmann was geen baarlijke duivel, maar een gewone, wat onbenullige man. Eichmann zou je buurman kunnen zijn. We zouden allemaal ten prooi kunnen vallen aan dit kwaad. Door onnadenkendheid. We moeten dus stil staan bij wat we doen. We moeten waakzaam zijn voor de gevaren die onze open, democratische samenleving bedreigen. We moeten er voor zorgen dat de misdaden die de gesloten samenleving kenmerken nooit meer kunnen plaatsvinden.
We staan voor een keuze; kiezen voor Sparta of kiezen we voor Athene? Kiezen we voor een open samenleving of voor een gesloten samenleving? Kiezen we voor de beschaving
of kiezen we voor het barbarendom? De keuze lijkt me helder. Laten we kiezen voor de beschaving en de barbarij nooit meer een kans geven.
woensdag 28 april 2010
Linda's gigolo's
Het blad Linda heeft een stunt verzonnen; wie abonnee wordt van de Linda kan een bezoekje van een gigolo winnen. Er worden 25 bezoekjes aan gigolo's verloot onder nieuwe abonnees. Geinig! Leuke stunt! Zo moeten ze bij de Linda op de redactieburelen hebben gedacht. Metje Blaak van de Vakbond van Prostituees denkt daar heel anders over. Zij heeft deze stunt in scherpe bewoordingen veroordeelt. Zij vergeleek Linda de Mol met een pooier en een mensenhandelaar. Ze gebruikt een juridisch argument tegen de Linda; je mag niet zonder vergunning optreden als een exploitant van prostitutie. Ze heeft een punt al zijn haar woorden te scherp en is haar argument niet het sterkste dat je tegen de Linda in kunt brengen. Linda de Mol was door de opmerkingen van Metje Blaak duidelijk gekwetst. Dat was niet nodig geweest. Het maken van kwetsende opmerkingen is zelden een goede manier om een discussie op gang te brengen. Mensen zullen minder snel geneigd zijn om te luisteren naar wat je nu eigenlijk echt te zeggen hebt en je geeft ze de gelegenheid om de zielenpiet uit te hangen. In de uitzending van Pauw en Witteman ging veel tijd verloren aan het etaleren van de gekwetsheid van mevrouw De Mol. Metje Blaak kon niet anders dan uiteindelijk haar excuses aanbieden en zeggen dat ze het zo niet had bedoelt. Haar juridische argument hielp haar ook niet echt veel verder. De hoofdredactrice van de Linda zei daar het volgende over ; "De heren van lichte zeden, die bij een bureau werkzaam zijn, zullen hun diensten geheel volgens de binnen het sekswezen geldende normen en waarden uitvoeren." Alle diensten worden geregeld door het bureau. De Linda koopt deze diensten in. Het is maar zeer de vraag of dat juridisch gezien niet mag. Er is een ander en sterker bezwaar tegen deze stunt van de Linda, en wel een moreel bezwaar.
Het gaat mij niet om bezwaren tegen prostitutie op zich. Wanneer mensen op vrijwillige basis seksuele diensten aanbieden of daar gebruik van maken, dan zijn daar geen ernstige morele bezwaren tegen. Het gaat er hier om dat deze seksuele diensten als presentje bij een abonnement op een tijdschrift worden aangeboden. Wat is hier mis mee? De filosofie van Kant kan ons hier helpen. Volgens Kant mogen we mensen nooit alleen als een middel tot een doel behandelen. We moeten mensen altijd behandelen als een doel op zichzelf. Daar lijkt hier geen sprake van te zijn. Deze mannen worden hier behandelt als een consumptiegoed, volstrekt inwisselbaar met bijvoorbeeld een tas, Volgens Kant moeten we onze handelingen universaliseren. Je moet zo handelen dat je kunt willen dat iedereen zo handelt. Hij noemde dat de categorische imperatief. Het is een herformulering van de gulden regel; Wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander, of negatief geformuleerd; Wat gij niet wilt dat u geschiedt, zo doe dat ook een ander niet. Dat de stunt van de Linda op deze grond verwerpelijk is lijkt me duidelijk. In de discussie bij Pauw en Witteman werd de vraag gesteld hoe er gereageerd zou worden als de Playboy op het idee te komen om seksuele diensten van callgirls aan te bied aan nieuwe abonnees. Iedereen was het er over eens dat dit niet zou kunnen en dat het land dan te klein zou zijn. Het universaliseren wil hier dus niet goed lukken. Hoe vernederend de stunt van de Linda is voor de mannelijke prostituees in kwestie werd goed duidelijk uit een schrijnende anekdote die Metje Blaak vertelde. In vroeger tijden bestond er in bordelen iets wat een tombola werd genoemd. De meisjes uit een bordeel werden dan op een bankje gezet. Ieder meisje kreeg een lotnummer toebedeelt. Ze moest dan mee met een klant die een lot had met het corresponderende nummer. Erg veel verschil met de gigolo's van de Linda zie ik niet, al kunnen deze in theorie hun diensten nog weigeren. Het komt er op neer dat deze mensen als een middel tot een doel en niet als een doel op zichzelf worden behandelt. Dat valt niet te universaliseren. Niemand wil dat hij louter gebruikt wordt voor het verwezenlijken va de doelstellingen van een ander. Als jij zo niet behandelt wilt worden dan kan je een ander ook zo niet behandelen. Als Linda de Mol meent dat de wijze van handelen van haar tijdschrift te universaliseren valt, dan mogen verwachten dat zij haar seksuele diensten bij wijze van cadeau gaat aanbieden. Ik denk dat ze deze suggestie vernederend zal vinden. Ze zal het niet willen. Dan moet ze het ook niet willen voor deze gigolo's.
Het gaat mij niet om bezwaren tegen prostitutie op zich. Wanneer mensen op vrijwillige basis seksuele diensten aanbieden of daar gebruik van maken, dan zijn daar geen ernstige morele bezwaren tegen. Het gaat er hier om dat deze seksuele diensten als presentje bij een abonnement op een tijdschrift worden aangeboden. Wat is hier mis mee? De filosofie van Kant kan ons hier helpen. Volgens Kant mogen we mensen nooit alleen als een middel tot een doel behandelen. We moeten mensen altijd behandelen als een doel op zichzelf. Daar lijkt hier geen sprake van te zijn. Deze mannen worden hier behandelt als een consumptiegoed, volstrekt inwisselbaar met bijvoorbeeld een tas, Volgens Kant moeten we onze handelingen universaliseren. Je moet zo handelen dat je kunt willen dat iedereen zo handelt. Hij noemde dat de categorische imperatief. Het is een herformulering van de gulden regel; Wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander, of negatief geformuleerd; Wat gij niet wilt dat u geschiedt, zo doe dat ook een ander niet. Dat de stunt van de Linda op deze grond verwerpelijk is lijkt me duidelijk. In de discussie bij Pauw en Witteman werd de vraag gesteld hoe er gereageerd zou worden als de Playboy op het idee te komen om seksuele diensten van callgirls aan te bied aan nieuwe abonnees. Iedereen was het er over eens dat dit niet zou kunnen en dat het land dan te klein zou zijn. Het universaliseren wil hier dus niet goed lukken. Hoe vernederend de stunt van de Linda is voor de mannelijke prostituees in kwestie werd goed duidelijk uit een schrijnende anekdote die Metje Blaak vertelde. In vroeger tijden bestond er in bordelen iets wat een tombola werd genoemd. De meisjes uit een bordeel werden dan op een bankje gezet. Ieder meisje kreeg een lotnummer toebedeelt. Ze moest dan mee met een klant die een lot had met het corresponderende nummer. Erg veel verschil met de gigolo's van de Linda zie ik niet, al kunnen deze in theorie hun diensten nog weigeren. Het komt er op neer dat deze mensen als een middel tot een doel en niet als een doel op zichzelf worden behandelt. Dat valt niet te universaliseren. Niemand wil dat hij louter gebruikt wordt voor het verwezenlijken va de doelstellingen van een ander. Als jij zo niet behandelt wilt worden dan kan je een ander ook zo niet behandelen. Als Linda de Mol meent dat de wijze van handelen van haar tijdschrift te universaliseren valt, dan mogen verwachten dat zij haar seksuele diensten bij wijze van cadeau gaat aanbieden. Ik denk dat ze deze suggestie vernederend zal vinden. Ze zal het niet willen. Dan moet ze het ook niet willen voor deze gigolo's.
woensdag 18 november 2009
Hannah en Martin
Afgelopen donderdag ben ik met een vriend naar het toneelstuk Hannah en Martin geweest. Dit is een uitvoering door de toneelgroep mug met de gouden tand.
http://www.mugmetdegoudentand.nl/actueel/index.html
Het stuk is gebaseerd op de relatie tussen de filosofen Martin Heidegger en Hannah Arendt. Het wordt gespeeld door de acteurs Lineke Rijxman en Willem de Wolf. Rijxman is voor haar rol als Hannah Arendt terecht onderscheiden met een Theo d'Or. Het stuk speelt zich voor een groot deel op een meta-niveau af. We zien twee acteurs die kibbelen over de vraag hoe ze een toneelstuk zullen maken over de relatie tussen Heidegger en Arendt. Soms spelen ze een stukje als Heidegger en Arendt. Rijxman speelt een keer in het stuk de rol van Eichmann. Het blijkt een constructie te zijn die goed werkt. Het geeft de gelegenheid voor de acteurs om hun eigen gedachten over deze filosofen in hun toneelstuk naar voren te brengen. Vooral Rijxman geeft er blijk van zich de stof goed eigen gemaakt te hebben. Als filosoof heb ik natuurlijk met de nodige belangstelling naar dit stuk gekeken. Er zaten geen ernstige missers in. Wel viel het mij op dat de filosofie van Heidegger wel erg schetsmatig werd neergezet. Het werd niet goed duidelijk wat nou specifiek Heideggers positie is binnen de fenomenologie. Wat Hannah Arendt betreft viel het me op dat vooral de denkbeelden uit On Totalitairianism en Eichmann in Jerusalem naar voren kwamen. The Human Condition, toch het belangrijkste werk van Arendt, kwam eigenlijk niet aan bod. Hetzelfde geldt voor haar laatste werk; The Life of the Mind. De vraag is of dat erg is. Ik denk van niet. Ik hoop dat de belangstelling voor deze filosofen door deze voorstelling bij de toeschouwers wordt gewekt en dat ze zich daar verder in gaan verdiepen. In dit verband is de vraag of deze voorstelling toegankelijk is voor mensen die niet thuis zijn in de filosofie belangrijker. Het is natuurlijk zware kost. Gelukkig werd het jargon vermeden en zat er de nodige humor in het stuk. Dat maakt het een stuk makklijker te verteren. Ook op dit punt lijkt me de voorstelling geslaagd. Ik hoop nog meer van dit soort theater te zien.
http://www.mugmetdegoudentand.nl/actueel/index.html
Het stuk is gebaseerd op de relatie tussen de filosofen Martin Heidegger en Hannah Arendt. Het wordt gespeeld door de acteurs Lineke Rijxman en Willem de Wolf. Rijxman is voor haar rol als Hannah Arendt terecht onderscheiden met een Theo d'Or. Het stuk speelt zich voor een groot deel op een meta-niveau af. We zien twee acteurs die kibbelen over de vraag hoe ze een toneelstuk zullen maken over de relatie tussen Heidegger en Arendt. Soms spelen ze een stukje als Heidegger en Arendt. Rijxman speelt een keer in het stuk de rol van Eichmann. Het blijkt een constructie te zijn die goed werkt. Het geeft de gelegenheid voor de acteurs om hun eigen gedachten over deze filosofen in hun toneelstuk naar voren te brengen. Vooral Rijxman geeft er blijk van zich de stof goed eigen gemaakt te hebben. Als filosoof heb ik natuurlijk met de nodige belangstelling naar dit stuk gekeken. Er zaten geen ernstige missers in. Wel viel het mij op dat de filosofie van Heidegger wel erg schetsmatig werd neergezet. Het werd niet goed duidelijk wat nou specifiek Heideggers positie is binnen de fenomenologie. Wat Hannah Arendt betreft viel het me op dat vooral de denkbeelden uit On Totalitairianism en Eichmann in Jerusalem naar voren kwamen. The Human Condition, toch het belangrijkste werk van Arendt, kwam eigenlijk niet aan bod. Hetzelfde geldt voor haar laatste werk; The Life of the Mind. De vraag is of dat erg is. Ik denk van niet. Ik hoop dat de belangstelling voor deze filosofen door deze voorstelling bij de toeschouwers wordt gewekt en dat ze zich daar verder in gaan verdiepen. In dit verband is de vraag of deze voorstelling toegankelijk is voor mensen die niet thuis zijn in de filosofie belangrijker. Het is natuurlijk zware kost. Gelukkig werd het jargon vermeden en zat er de nodige humor in het stuk. Dat maakt het een stuk makklijker te verteren. Ook op dit punt lijkt me de voorstelling geslaagd. Ik hoop nog meer van dit soort theater te zien.
donderdag 12 november 2009
Fuga’s

Het luisteren naar muziek kan aanleiding zijn tot diepe filosofische gedachten. Tijdens het luisteren naar Bach op het Festival Oude Muziek kwamen er allerlei filosofische gedachten bij mij op. Tegelijkertijd werd ik emotioneel geraakt. De muziek van Bach is dus van een ongelooflijke rijkdom.
Op 3 september zijn we met een groepje mensen samen met de geestelijk verzorger van het DAC, Francis Benhtem, naar het Festival Oude Muziek in Utrecht geweest. Dit is een uitje dat jaarlijks wordt georganiseerd. Naast mensen uit Leiden gingen er ook een aantal mensen uit Alphen aan de Rijn mee. Het was een gezellige groep. We naar twee concerten geweest; een ‘s ochtends en een ’s middags. Tijdens het middagconcert werden er twee fuga’s van Bach gespeeld. Het toeval wil dat ik net een boek aan het lezen was dat onder andere over de fuga’s van Bach gaat. Ik was Gödel, Escher, Bach van Douglas Hofstadter aan het lezen. In dit boek gaat het onder andere over fuga’s, al is dat niet het eigenlijke onderwerp van het boek. Zodoende had ik het een en ander over fuga’s geleerd. De fuga is geen makkelijke muziekvorm.
Een fuga is een tamelijk intellectueel soort muziek waarin een componist goed kon laten zien wat hij allemaal kan. Het is een strenge compositievorm uit de polyfonie. Bach is de grote meester van de fuga. Een fuga (it.: Ricercare, zoeken, 'Fuga' komt van het Latijnse fugere, vluchten) is een muziekvorm waarin meerstemmigheid (contrapunt) en gevarieerde herhaling een hoofdrol speelt. Het belangrijkste thema wordt subject genoemd, en wordt als eerste eenstemmig gespeeld. De eerste inzet is doorgaans op de tonica en heet dux. Het tweede thema van het subject is doorgaans op de dominant en wordt comes genoemd. De melodie die in contrapunt tot het subject staat, heet contrasubject. Een fuga heeft meerdere episodes, de eerste wordt ook wel expositie genoemd, omdat daaruit blijkt uit hoeveel stemmen de fuga bestaat. De episodes worden doorgaans onderbroken door korte divertimenti waarin op het materiaal van de thema's wordt gevarieerd. Elke expositie kenmerkt zich door een specifiek gebruik van bepaalde toonsoorten en themabehandelingen. Zo zijn er diverse contrapuntische technieken, zoals:
* inverse (horizontale spiegeling van het subject)
* retrograde (het subject achterstevoren)
* stretto (versnelde opeenvolging van thema-inzetten)
* augmentatie (proportionele vergroting van de notenwaarden, verlangzaming)
* diminutie (proportionele verkleining van de notenwaarden, versnelling)
Een dubbelfuga is een fuga waarin elk subject steeds tegelijkertijd met een vast contrasubject verschijnt, bijvoorbeeld het Kyrie eleison uit het Requiem van Mozart.
De meester van de fuga is Johann Sebastian Bach, die talloze fuga's gecomponeerd heeft. Beluister een driestemmige fuga in c-klein uit de cyclus das Wohltemperierte Klavier. Over het algemeen heeft een fuga drie tot vijf stemmen, maar in grote koor- of orkestrale fuga's zijn zelfs acht tot tien stemmen mogelijk. Minder dan drie stemmen zijn erg zeldzaam, omdat in het geval van twee stemmen het zogenaamde subject enkel tussen de eerste en tweede stem kan verwisselen. Het meest bekende voorbeeld van zo'n tweestemmige fuga is de fuga in e uit het eerste boek van Bachs Wohltemperierte Klavier. Stukken die verwante fugatische technieken gebruiken worden ook wel Fughetta of inventies genoemd. Eénstemmige fuga's zijn uiteraard onmogelijk. Wel is het mogelijk meerstemmigheid te suggereren, zoals door Bach gedaan wordt in zijn sonates en partita's voor viool en cellosolo. In het eerste deel van de vijfde suite voor cello solo schrijft Bach een suggestie van een meerstemmige fuga.
Het begrip "stem" behoeve enige uitleg: het gaat hier om een (melodie)lijn in de muziek, dit begrip impliceert dus niet dat het om een vocaal werk gaat.
Op het Festival Oude Muziek werden er fuga’s op luit gespeeld. We werden even meegenomen naar een andere wereld. Het luisteren naar een fuga is niet alleen een intellectueel genoegen, maar raakt je ook in je hart. Wij zijn naar een concert in Museum Sonnenborgh geweest. Het concert werd verzorgd door Ziv Braha die een suite en twee fuga’s van Bach speelde (J.S. Bach: Suite BWV 995; Prelude en fuga BWV 999/1000; Prelude BWV 998). Hij speelde de fuga’s op luit. Deze muziek wist ons zeker te raken. Het luisteren naar muziek van Bach kan op een verrassende manier ontspannend werken. Je raakt in een soort schemertoestand waarin er alleen nog de muziek bestaat. Op zo’n moment kan je het alleen maar eens zijn met Nietzsche die schreef dat het leven zonder muziek een misverstand zou zijn.
Terwijl ik aan het nagenieten was van deze mooie muziek heb ik nagedacht over de thema’s die in het boek van Hofstadter aan de orde komen. Hij ziet een verband tussen fuga’s, de prenten van Escher en de wiskundige theorieën van Gödel. Dat lijkt vergezocht maar dat is het niet. Hij ziet als overeenkomst dat we in al deze gevallen met zelfreferentie te maken hebben. Het gaat om een verwarrende en paradoxale vorm van zelfverwijzing. De volgende paradox is daarvan een voorbeeld;
De volgende zin is onwaar.
De vorige zin is waar.
Deze zinnen zijn normale zinnen die afzonderlijk onschuldig zijn maar in combinatie een duivelse paradox opleveren. Hofstadter noemt dit verschijnsel een Merkwaardige Lus. We zien dergelijke Merkwaardige Lussen ook in het werk van Escher. Escher heeft bijvoorbeeld een prent gemaakt van twee handen die elkaar tekenen. Ook in de fuga’s van Bach vinden we Merkwaardige Lussen. Dat maakt deze muziek ook spannend. Kurt Gödel is een wiskundige die bekend is geworden vanwege zijn Onvolledigheidsstelling. In 1931 bewees hij dat binnen een consistent formeel systeem dat fundamentele rekenkundige waarheden bewijst een rekenkundige bewering kan worden geformuleerd die waar is, terwijl dat niet met de axiomata van het systeem kan worden bewezen. Dit staat bekend als de eerste onvolledigheidsstelling van Gödel. Hij toonde verder aan dat alle formele systemen met fundamentele stellingen over rekenkunde en bewijsbaarheid inconsistent zijn: de uitspraak dat het systeem consistent is maakt dan en slechts dan deel uit van het systeem als het inconsistent is. Dit staat bekend als de tweede onvolledigheidsstelling van Gödel. De onvolledigheidsstellingen hebben betrekking op het soort zelfverwijzing waar Hofstadter het over heeft. We zien in het boek dat thema’s en patronen worden herhaald, op een vervormde wijze terugkeren of onverwachte verbanden met elkaar aangaan. Net als bij fuga’s.
Het uiteindelijke doel van Hofstadter is om te verklaren hoe een levenloos algoritmisch proces iets als leven en geest kan voortbrengen. Ook hier hebben we te maken met een Merkwaardige Lus. Ons DNA is als een fuga die is geschreven in de letters A,C ,G en T. DNA bestaat uit twee strengen van lettercombinaties van de letters A,C,G en T die elkaar weerspiegelen. Die letters zou je kunnen vervangen door cijfers en kan je beschrijven als een formeel systeem. Misschien zou je ze ook kunnen vervangen door noten. Overal zien we dezelfde patronen. Misschien zouden we de hele wereld kunnen zien als een soort muziek.
Het luisteren naar de muziek van Bach was een aanleiding om over dit soort onderwerpen na te denken. Uiteindelijk kan het luisteren naar Bach dus leiden tot het nadenken over grote filosofische vragen over de aard van het leven en het bewustzijn. De muziek van Bach is dus van een ongelooflijke rijkdom.
Raymond van Es
woensdag 11 november 2009
Gedeconstrueerd konijn/ deconstructing Jacques Waarom het postmodernisme niet deugt

Al langere tijd erger ik mij aan het verschijnsel postmodernisme. Ik heb me lang afgevraagd waar dat nou door komt. De oplossing van mijn probleem kwam toen ik me bedacht dat ik de vraag moest omdraaien en me moest afvragen hoe het mogelijk is dat ik me zo lang niet heb geërgerd aan het postmodernisme. Dat het zo lang duurde zal er ook mee te maken hebben dat niet alle inzichten die onder de vlag van het postmodernisme varen onzinnig zijn. We moeten het kind niet met het badwater weggooien. Mijn ergernis heeft er mee te maken dat we hier wel te maken hebben met een heel klein kindje in een reusachtige badkuip. Het wordt dus tijd om het postmodernisme eens onder de loep te nemen. Of moet ik zeggen; deconstrueren?
Een observatie van de postmoderne filosoof Jaqcues Derrida maakte mij duidelijk hoe ik mijn probleem onder woorden moest brengen.
Jaqcues Derrida is zonder twijfel een van de bekenste filosofen van de twingtigste eeuw. Hij is een van de grootste namen binnen het differentiedenken. Derrida is er vaak van beschuldigt dat hij in zijn denken in onbegrijpelijk jargon vervalt en dat hij goedkope retorische trucs gebruikt. Het postmoderne denken dat hij vertegenwoordigt zou een doorgeschoten relativisme zijn. Een kernbegrip in het denken van Derrida is het begrip deconstructie. Het is zijn vertaling van het begrip 'Dekonstuktion' bij Heidegger. Men moet de metafysica tot op de fundamenten afbreken om daarop het denken weer op te bouwen. Het is tegelijkertijd afbreken en opbouwen. Derrida doet dat door een rigoureuze interpretatie van teksten. De filosofie van Derrida is, net als die van veel andere Franse postmodernisten, erg populair in academische kringen in Amerika. Het begrip deconstructie is inmiddels ook doorgesijpelt naar de populaire cultuur; zo maakte Woody Allen een film onder de titel Deconstructing Harry. Derrida was allerminst blij met de in zijn ogen oppervlakkige wijze waarop het begrip deconstructie in deze film werd toegepast. Het toppunt was voor hem dat een stoofpot met konijn in de New York Times werd omschreven als een gedeconstrueerd konijn1. Dit is inderdaad een absurde toepassing van het begrip deconstructie. Deze toepassing is daarmee echter nog niet misplaatst. Veel postmoderne denkers vragen om een dergelijke absurde misvatting. Je zou kunnen stellen dat er niets eens sprake is van een misvatting. Dat Derrida dit nooit bedoelt kan hebben met het begrip deconstructie doet vanuit zijn theorie niet ter zake. Er is immers niets buiten de tekst. Na Deconstructing Harry wordt het nu dus de hoogste tijd voor Deconstructing Jacques. (Waarbij Jacques als te deconstrueren konijn natuurlijk staat voor het postmodernisme).
De onhelderheid van de postmoderne geschriften is natuurlijk niet mijn enige bezwaar tegen het postmodernisme.
Mijn bezwaren tegen het postmodernisme komen neer op het volgende;
1.Postmodernisme kenmerkt zich door onhelder en ondoorgrondelijk taalgebruik. Dit wijst op onhelder denken of een gebrek aan intellectuele eerlijkheid.
2.Postmodernisme ontkent dat er zoiets als waarheid of rationaliteit bestaat. Wat waar of rationeel is wordt bepaald door machtsverhoudingen.
3.Postmodernisme werkt verlammend op het intellectuele en politieke debat en werkt conservatisme in de hand.
4.Het postmodernisme is een irrationalistische filosofie.
Laten we beginnen met het onheldere en ondoorgrondelijke taalgebruik. Mijn stelling is dat dit taalgebruik samenhangt met een gebrek aan intellectuele eerlijkheid. Postmodernisten hebben iets te verbergen. We moeten het hier waarschijnlijk zoeken in de categorie van de nieuwe kleren van de keizer.
Veel postmoderne teksten barsten van het onbegrijpelijke jargon en kennen een ondoorgrondelijke redeneertrant. Het zou kunnen zijn dat deze teksten te hoog gegrepen zijn voor normale stervelingen, maar het zou ook kunnen gaan om modieuze gebakken lucht. Of met andere woorden; een gedeconstrueerd konijn. Er is natuurlijk ook geen beter beest dan een konijn denkbaar om het postmodernisme te symboliseren. Het konijn is het beest dat we bij uitstek associëren met goochelen. Postmodernisme is een vorm van filosofisch goochelen. Derrida en zijn aanhangers kunnen mij geen verwijten maken; ik doe niets anders dan de methode van de deconstructie toepassen op het postmodernisme en het differentiedenken. Verder valt op dat het postmodernisme en het differentiedenken zich graag voordoen als radicale cultuurkritiek met een revolutionair potentieel. Het heeft echter niet veel meer te bieden dan abstracte goocheltrucs zonder enig verband met de maatschappelijke realiteit.
Peter Sloterdijk zegt het als volgt;
Als een nieuwe vorm van droomduiding, toegepast op allerlei soorten teksten, in het bijzonder op die van de Oud-Europese metafysica, is ze, hoewel haar adepten vaak het tegendeel beweren, een opgepoetste versie van de hermeneutiek, die zich met kritische instrumenten en grote gebaren op de taak stort om voorlopig alles te laten zoals het is. (Sloterdijk, 2007, p. 245)
Volgens Sloterdijk verklaart dit laatste ook de populariteit van het deconstructivisme in de Amerikaanse populaire cultuur: ook die wil alles laten zoals het is.
Een goed voorbeeld van wat ik bedoel met een gedeconstrueerd konijn is de Sloveense filosoof Slavoj Žižek. Zijn taalgebruik is volkomen ondoorgrondelijk maar klinkt heel hip en postmodern.
Michel Foucault deed ooit een interessante bekentenis die een helder licht werpt op het obscure taalgebruik van het postmodernisme.
John Searle vroeg tijdens een ontmoeting met Michel Foucault het volgende; 'Michel, je bent zo duidelijk in je praten, waarom is je geschreven werk zo obscuur?' Waarop Foucault antwoordde: 'Dat is omdat, als je serieus wilt worden genomen door Franse filosofen, 25% van wat je schrijft ontoegankelijke onzin moet zijn.' (Dennett, 2006, p.394)
Zo worden de gedeconstrueerde konijnen dus gestoofd! Je kruidt je betoog met een heleboel ontoegankelijke onzin om serieus genomen te worden door je collega filosofen! Deze collega's doen natuurlijk precies hetzelfde. Zo lijkt het alsof er een filosofische stroming bestaat, terwijl iedereen elkaar voor de gek houdt. Iedereen wil immers serieus genomen worden door zijn collega's. Noam Chomsky meent dat postmodernisten doorgaans niet in staat zijn om buiten hun jargon te treden. Ze kunnen niet in lekentaal uitleggen wat hun theorie inhoudt.
There are lots of things I don't understand -- say, the latest debates over whether neutrinos have mass or the way that Fermat's last theorem was (apparently) proven recently. But from 50 years in this game, I have learned two things: (1) I can ask friends who work in these areas to explain it to me at a level that I can understand, and they can do so, without particular difficulty; (2) if I'm interested, I can proceed to learn more so that I will come to understand it. Now Derrida, Lacan, Lyotard, Kristeva, etc. --- even Foucault, whom I knew and liked, and who was somewhat different from the rest --- write things that I also don't understand, but (1) and (2) don't hold: no one who says they do understand can explain it to me and I haven't a clue as to how to proceed to overcome my failures. That leaves one of two possibilities: (a) some new advance in intellectual life has been made, perhaps some sudden genetic mutation, which has created a form of ``theory`` that is beyond quantum theory, topology, etc., in depth and profundity; or (b) ... I won't spell it out.''
Hoe makkelijk het is om een gedeconstrueerd konijn te stoven is bewezen door de natuurkundige Alan Sokal samen met zijn collega Jean Bricmont. Sokal heeft de hele postmoderne gemeenschap bij de neus genomen met een briljante satire op het postmodernisme. Hij schreef zijn verzameling onzinnige postmoderne citaten aan elkaar met behulp van al even onzinnige opmerkingen. Zijn artikel werd zonder meer geplaatst in een vakblad voor postmoderne sociologen en filosofen. Dit tijdschrift, Social Text, stond hoog aangeschreven. Dat dit artikel van Sokal in een toonaagevend tijdschrift werd gepubliceerd als een serieuze bijdrage aan het postmoderne discours is ontluisterend. Een dergelijk demasqué zou binnen geen enkele andere wijsgerige stroming denkbaar zijn.
Het is niet de eerste keer dat een filosofische stroming een gebrek aan inhoud tracht te verbergen door ondoorgrondelijk taalgebruik en verbale mist. We zien het zelfde verschijnsel bij het Duits Idealisme uit de negentiende eeuw. In zekere zin is het Duits Idealisme het postmodernisme van de negentiende eeuw. Deze filosofische stroming werd zwaar bekritiseert door Schopenhauer. Deze stelde terecht dat wie slecht schrijft ook niet kan denken.
Niets is gemakkelijker dan zo te schrijven dat geen mens er wat van snapt, zoals er ook niets moeilijker is dan belangrijke gedachten zo uit te drukken dat iedereen ze wel móét begrijpen. (Schopenhauer 2008).
Als we er van uit gaan dat de geciteerde uitspraak van Foucault kenmerkend is voor het postmodernisme dan betekent dat dat deze auteurs wel helder kunnen schrijven, maar dit doelbewust niet doen. Dit getuigt van een gebrek aan intellectuele eerlijkheid.
Het tweede bezwaar tegen het postmodernisme is dat ze het bestaan van waarheid en rationaliteit ziet als een uitkomst van machtsverhoudingen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit niet voor alle postmoderne denkers ook geldt op het niveau van de proposities. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan Foucault die een onderscheid maakt tussen het niveau van proposities en het niveau van het constitueren van de waarheid;
Natuurlijk, op het niveau van een propositie, binnen een vorm van spreken, is de scheiding tussen waar en onwaar noch willekeurig of veranderbaar, noch institutioneel of gewelddadig. Maar wanneer we een ander gezichtspunt innemen, wanneer wij willen weten wat deze wil tot waarheid, die zoveel eeuwen van onze geschiedenis doorkruist heeft, geweest is, is deze constante, dwars door ons spreken heen, of wat heel in het algemeen het soort scheiding is dat onze wil tot weten beheerst, zien we misschien toch zoiets als een uitsluitingssysteem (een historisch, plooibaar, institutioneel dwingend systeem) zichtbaar worden. (Foucault, 1996, p.40)
Met betrekking tot de waarheid van proposities lijkt hier toch wel een adder onder het gras te schuilen (of een konijn?). Foucault maakt een onderscheid tussen twee niveaus. We hebben de waarheid binnen een vertoog waar proposities waar of onwaar zijn en waarbij er geen sprake is van willekeur of macht. Welk vertoog we aanvaarden wordt echter wel bepaald door machtsverhoudingen of, in de woorden van Foucault, een uitsluitingssysteem. Dit is het tweede niveau. Het probleem speelt op dit tweede niveau. Het lijkt mij dat proposities waar of onwaar zijn en dat dit onafhankelijk is van contingente machtsverhoudingen. Niemand kan met droge ogen beweren dat het systeem van de propositie logica zijn kracht ontleend aan de toevallige machtsverhoudingen. Een dergelijke bewering is gewoon te absurd voor woorden.
Waar het gaat om het ten onrechte uitsluiten van bepaalde groepen aan het debat in deze samenleving heeft een theorie als die van Foucault wel zin. Dit is het kind in het postmoderne badwater. Een dergelijke kritiek heeft alleen zin als we criteria hebben voor een open debat. We kunnen hierbij bijvoorbeeld denken aan de machtsvrije communicatie van Habermas.
Postmoderne denkers menen dat waarheid en rationaliteit als zodanig niet bestaan maar zijn gebaseerd op machtsverhoudingen. Ze beroepen zich hierbij vooral op Nietzsche. Wanneer waarheid en rationaliteit een kwestie van machtsverhoudingen zijn dan wordt elke discussie een conflict en valt er geen onderscheid te maken tussen wapens en woorden. Elk debat wordt dan in wezen een oorlog. Op het eerste gezicht lijkt zijn werk over te lopen van het revolutionair potentieel. Bij nadere bestudering blijkt hij geen enkel zinnig antwoord te geven op de vragen van deze tijd. Het is een wonderlijk mengsel van (neo)communisme, nationalisme en conservatisme. Dit alles overgoten met een postmoderne saus die stevig is gekruid met de psychoanalyse van Freud en vooral Lacan. Dit alles levert een giftige konijnen-stoofpot op. De saus dient enkel om te verhullen dat het voedsel verrot is.
Liberalen en sociaal-democraten zijn in de ogen van Žižek laf. Conservatieven en leninisten zijn daarentegen authentiek. Zij zijn bereid om vuile handen te maken;
Ze [de sociaal-democraten] willen een echte revolutie, maar schrikken terug voor de prijs die daarvoor moet worden betaald en geven er daarom de voorkeur aan reine zieltjes en schone handen te houden. In tegenstelling tot deze onoprechte positie van radicaal links (dat waarachtige democratie voor het volk wil, maar zonder geheime politie om de contrarevolutie te bestrijden en zonder dat haar academische privileges worden bedreigd) is een leninist, net als een conservatief, authentiek in die zin dat hij de consequentie van zijn keuze ten volle aanvaard oftewel: dat hij ten volle beseft wat het betekent de macht te grijpen en macht uit te oefenen. (Žižek, 2001, p.ix/x)
Wat die consequenties zijn heeft de geschiedenis ons wel geleerd. Kennelijk zijn die lessen aan Žižek voorbij gegaan. Welke consequenties Žižek voor ogen voor deze slappe sociaal-democraten wordt goed duidelijk als hij met instemming Lenin citeert;
Inderdaad geven de preken van ... de mensjewieken en sociaalrevolutionairen uiting aan hun ware aard: 'De revolutie is te ver gegaan. Wat u nu zegt hebben wij steeds gezegd, staat u ons toe het nog eens te zeggen.' Maar wij geven daarop ten antwoord: 'Staat u ons toe u voor het vuurpeleton te zetten vanwege deze uitspraken. Óf u ziet er vanaf uw opvattingen uit te dragen, óf u blijft uw politieke opvattingen in de openbaarheid brengen onder de huidige omstandigheden, nu onze positie veel moeilijker is dan toen de witte gardisten ons aanvielen, dan hoeft u het alleen uzelf te verwijten wanneer wij u behandelen als de slechtste en schadelijkste elementen uit de witte gardes. (Lenin gecit. Žižek, 2001, pp. 123/124)
De terreur van het communisme is alom bekend. Lenin meende wat hij zei. Kennelijk heeft Žižek geen bezwaren tegen deze terreur en stemt hij er zelfs mee in.
De postmoderne saus zonder welke er geen gedeconstrueerd konijn is, blijkt bijvoorbeeld uit het volgende citaat;
kortom: in plaats van het proto-transcendentale structurele apriori van de symbolische Orde krijgen we de talloze geïmproviseerde manieren waarop fundamenteel solitaire mensen, ieder uiteindelijk gebonden aan de masturbatoire jouissance van het eigen ('er bestaat niet zoiets als de seksuele verstandhouding' impliceert dat jouissance in essentie idioot en solitair is), pogen te improviseren en een soort schijn pogen op te bouwen van het hebben van relaties en interacties met anderen. (Žižek, 2001, pp. 20/21)
We worden hier overgoten met een flinke dosis jargon dat verwijst naar Kant en Lacan. Ik vraag me af of iemand begrijpt wat Žižek hier bedoelt. Niet iedere grammaticaal correct geformuleerde zin betekent ook iets. Wat ik er aan betekenis uit op kan maken is tamelijk triviaal; sommige mensen zijn eenzaam en proberen op een wanhopige manier in ieder geval de schijn van een relatie op te bouwen. Iedereen die een beetje levenservaring heeft of wel eens op een datingsite heeft gekeken zal erkennen dat dit een waarheid als een koe is.
Deze beschouwing is niet bedoelt om specifiek Žižek te bekritiseren. Žižek's geval dient slechts om een veel breder probleem te illustreren; het postmodernisme. Wie goed om zich heen kijkt ziet overal gedeconstrueerde konijnen. Žižek dient uitstekend om de ziekte die postmodernisme heet te illustreren.
Het geval Žižek staat niet op zich. Hij is een van die babyboomers die geloofden in het marxisme en hoopten op een revolutie die nooit kwam. Het postmodernisme vindt zijn oorsprong in de vroege jaren zestig toen een nieuwe generatie filosofen en intellectuelen zich lieten inspireren door Marx, Nietzsche en Freud. Het naoorlogse Frankrijk barstte van het revolutionaire elan dat zijn hoogtepunt zou vinden in de revolte van mei '68. Dit elan zou hierna snel uitdoven. Voor veel Franse intellectuelen was dit een teleurstelling die ze maar moeilijk konden verwerken.
Het derde bezwaar is dat het postmodernisme radicaal lijkt maar conservatisme in de hand werkt.
De zogenaamd radicale positie die veel postmoderne filosofen innemen is wat treurig. Het is een krachteloos radicalisme. Het is een radicalisme op een hoog theoretisch niveau zonder enig verband met de (politieke) praktijk. Het radicalisme van het postmodernisme is, om het met een jaren zestig uitdrukking te zeggen, een papieren tijger. Zelfs Žižek zal, als hij eerlijk is, beseffen dat die revolutie van hem er nooit zal komen omdat niemand daar op zit te wachten. We worden niet zodanig uitgebuit of onderdrukt dat een revolutie nodig zou zijn. Sloterdijk heeft gelijk als hij zegt dat postmodernisten alles laten zoals het is.
Paradoxaal genoeg lijken veel postmoderne denkers ook conservatieve trekken te vertonen. We zien dat in sterke mate bij,alweer, Žižek. Gianni Vattimo moet in dit verband ook worden genoemd. Vattimo is een postmodernist van het eerste uur die in de loop van de jaren negentig zijn religieuze wortels heeft teruggevonden en sindsdien een postmoderne apologeet van het katholieke geloof is geworden.
De ideologie annex politieke praktijk van de Derde Weg is in feite HET model van deze nederlaag, van dit onvermogen om te erkennen dat het Nieuwe bestaat om het Oude te laten overleven. Gesteld tegenover deze verleiding kan men beter het onovertroffen voorbeeld van Pascal volgen en zich de moeilijke vraag stellen: hoe moeten we in de nieuwe omstandigheden trouw blijven aan het Oude? ALLEEN op deze wijze kunnen we iets daadwerkelijk Nieuws teweegbrengen. (Žižek, 2001, p.31)
De stelling die Žižek hier poneert komt er op neer dat we alleen als we trouw blijven aan het Oude iets daadwerkelijk Nieuws teweeg kunnen brengen. Afgezien van de onbegrijpelijke formuleringen (wat moeten we verstaan onder 'trouw blijven aan het Oude'?) is dit alleen te begrijpen als een definitie van het conservatisme. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat Žižek erg gecharmeerd is van het christendom;
Terug naar het christendom: betekent dit dat Christus, dit ultieme objet petit a, ook dezelfde bemiddelaar tussen de goddelijke Wet en zijn menselijke onderdanen is? Is zijn offer voor onze zonden van dezelfde orde als het spreekwoordelijke offer van het stalinistische kader voor de vooruitgang van de mensheid? Is Christus' liefde voor de mensheid structureel dezelfde als de spreekwoordelijke liefde van de communistische leider voor zijn volk? (Žižek, 2001, p.154)
We zien hier hoe Žižek moeiteloos christendom en communisme met elkaar weet te verbinden. We weten wat het christendom en het communisme de mensheid hebben gebracht; niets dan ellende. We weten dat Christus evenmin voor onze zonden is gestorven als het stalinistische kader zich heeft geofferd voor de vooruitgang van de mensheid. Misschien had Christus liefde voor de mensheid, misschien had hij dat niet, we kunnen dat niet weten uit betrouwbare bron. We weten in ieder geval wat de liefde van de communistische leiders waard is; ongeveer 15 miljoen doden in het geval van Stalin en 70 miljoen in het geval van Mao. Hoeveel mensen er gestorven zijn voor de zogenaamde liefde voor Christus weet ik niet maar het zou me niet verbazen als het een veelvoud is van de slachtoffers van die hartverwarmende liefde van de communistische leiders. De denkwijze van Žižek is duidelijk irrationalistisch en is meteen een illustratie van de gevaren van het irrationalisme. Gianni Vattimo is een andere postmoderne filosoof die de religie wenst te rehabiliteren. Ook Vattimo keert zich af van de rede;
Het verschijnsel zelf van de terugkeer van de religie in onze cultuur lijkt tegenwoordig verbonden met de vele grote problemen waarmee de mens zich in de laat-moderne tijd geconfronteerd ziet, en die onoplosbaar lijken met de middelen van de rede en de techniek: vraagstukken met betrekking tot vooral de bio-ethiek, van de genetische manipulatie tot en met het mileuprobleem, en verder alle problemen die verband houden met de explosie van geweld onder de nieuwe leefomstandigheden van de massamaatschappij. (Vattimo, 1998, p.12)
Vattimo is kennelijk van mening dat we de problemen van de moderne tijd niet kunnen oplossen door middel van de rede en de techniek. Met een denkbeeldige vriend (God) zou het kennelijk beter gaan. Vattimo pleit voor een “zwak” geloof. Dat “zwakke” geloof zou voldoen aan onze behoefte tot zingeving zonder de bezwaren van een “sterk” geloof. Zonder geloof lukt het kennelijk niet om zin aan ons bestaan te geven. Met permissie, ik vindt dit een zwak betoog. Wat mij betreft doet dit te veel denken aan het 'oprecht veinzen ' van Frans Kellendonk. Dit is een oxymoron; men kan niet veinzen en oprecht zijn. Wie veinst is niet oprecht en wie oprecht is veinst niet. Men kan natuurlijk wel veinzen dat men oprecht is. Het is echter zeer begrijpelijk hoe men vanuit het postmodernisme tot dergelijke bevindingen kan komen. Hij hoeft immers geen beroep te doen op rationele argumenten. De waarheidsvraag is niet aan de orde. Waarheid is immers een kwestie van machtsverhoudingen. De katholieke kerk is een machtig instituut. Daarom moet de katholieke geloofsleer wel een zekere waarheid bevatten. Uitgaande van deze wijze van redeneren moeten we concluderen dat de katholieke geloofsleer in Nederland minder waar is dan in Italië aangezien de katholieke kerk in Nederland minder machtig is dan in Italië. Dit is natuurlijk nonsens. Er is niet zoiets als een Italiaanse of een Nederlandse waarheid.
Het voorbeeld van Vattimo illustreert dat het postmoderne conservatisme rechtstreeks samenhangt met het idee dat de waarheid een kwestie van machtsverhoudingen is. Iemand als Foucault stelt de machtsverhoudingen nog onder kritiek. Dit element lijkt bij Vattimo grotendeels te ontbreken. Hij bevestigd de gevestigde orde en noemt zich progressief.
Al mijn bezwaren tegen het postmodernisme komen samen in mijn vierde bezwaar; het postmodernisme is een vorm van irrationalisme. Doordat postmodernisten menen dat wat we rationaliteit en waarheid noemen in werkelijkheid een uitkomst van machtsverhoudingen is kunnen zonder probleem proberen te imponeren door onhelder en ondoorgrondelijk taalgebruik. Door indruk te maken verwerf je macht en wordt je theorie vanzelf meer waar. Het argument dat rationaliteit en waarheid een uitkomst van machtsverhoudingen is, is zelf geen rationeel toetsbaar argument. Elk argument hiertegen zou immers op machtsverhoudingen stoelen. Op deze manier is een zinvol debat onmogelijk. Dat het conservatisme in de hand werkt valt ook makkelijk in te zien. De gevestigde macht moet immers wel ware opvattingen uitdragen. Wie de macht heeft, heeft immers gelijk. De kritiek op machtsverhoudingen en uitsluitingssystemen zoals we die vooral tegenkomen bij Foucault moeten we behouden, net als de bijdrage van Derrida aan de hermeneutiek. Voor de rest laat het postmodernisme vooral een bittere smaak na. Het postmodernisme is een onsmakelijke konijnenstoofpot.
Daarom lust ik geen gedeconstrueerd konijn.
maandag 23 juni 2008
Bijna dood

Sinds het verschijnen van het boek van de cardioloog Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn , staat het verschijnsel bijna dood ervaring (BDE) weer volop in de belangstelling. Van Lommel beweert dat hij wetenschappelijk kan aantonen dat bijna dood ervaringen bestaan. Mensen die een bijna dood ervaring hebben, hebben niet alleen die ervaring, maar deze ervaring heeft ook een basis in de werkelijkheid. Mensen verbeelden zich dus niet zomaar iets en ze verzinnen ook niet zomaar iets. Wat ze meemaken is echt meent Van Lommel. Hij baseert zich op de ervaringen van mensen die een hartaanval hebben overleefd. In 2001 heeft hij de resultaten van zijn onderzoek in het prestigieuze medische tijdschrift The Lancet weten te publiceren. In 2007 verscheen zijn boek Eindeloos bewustzijn dat onmiddellijk een bestseller werd.
Wat is een BDE en waarom fascineert het verschijnsel ons zo? Deze fascinatie heeft alles te maken met een verlangen naar een leven na de dood. Ook Hollywood heeft dit ontdekt. In de film Flatliners (1990) experimenteren vier medische studenten met bijna dood ervaringen door een hartstilstand te forceren. Ze willen weten of er een leven na de dood is. De titel slaat op het gegeven dat er bij een hartstilstand een vlakke lijn te zien valt op de meetapparatuur. Op dat moment ben je klinisch dood. Op dat moment is er geen hersenactiviteit meetbaar met een zogeheten EEG en zou je dus, volgens van Lommel, geen bewuste ervaringen hebben. Bij een bijna dood ervaring heb je op dat moment wel een bewuste ervaring en daarom moeten we, volgens Van Lommel, aannemen dat het bewustzijn onafhankelijk van de hersenen zou bestaan. Het gangbare wetenschappelijke uitgangspunt dat het bewustzijn een product van de hersenen is zou daarom op de helling moeten. Volgens Van Lommel kent het bewustzijn geen begin en geen einde en moeten we de hersenen zien als een soort ontvangstcentrale. Het bewustzijn is volgens Van Lommel niet materieel. De gedachte dat er een niet materieel bewustzijn en een leven na de dood zouden kunnen bestaan is voor veel mensen zeer aantrekkelijk. Vragen rond leven en dood blijven de mensen fascineren.
Een Bijna Dood Ervaring (BDE) is eigenlijk een soort ‘uittreding’. Het is een ‘uittreding’ die zich meestal voordoet bij een ongeluk, tijdens een operatie of bij een toestand van zware ziekte waarbij het fysieke lichaam op de rand van de dood verkeert. Vaak is de persoon zelfs klinisch dood geweest. Een deel van de ervaring is hetzelfde als bij een gewone uittreding zoals het waarnemen van plaatsen en personen enz.
Mensen die een bijnadoodervaring krijgen kunnen onder andere de volgende ervaringen opdoen: zij kunnen uit het lichaam treden en zien alles wat er om hen heen gebeurt. Zij horen wat er gezegd wordt door mensen en zien dikwijls hun eigen lichaam liggen, wat ze zonder emotie aanschouwen.
Zij kunnen door een tunnel of spiraalvormig element gaan wat soms wel en soms niet als prettig ervaren wordt. In deze fase zien zij op een gegeven moment een lichtpunt waar zij zich op richten en komen dan in de lichtwereld terecht. Sommige ervaarders komen rechtstreeks in de lichtwereld zonder een tunnelervaring voorafgaand. Daar aangekomen kunnen zij verschillende voorstellingen aanschouwen: een paradijselijke omgeving, een prachtig landschap met groen glooiende heuvels beplant met prachtige bomen, planten en bloemen die heel mooi van kleur zijn en in de aardse wereld nooit te zien zijn. Deze voorstellingen worden soms aangevuld met prachtige kleuren en wonderschone muziek.
In deze wereld kunnen lichtfiguren zich aan de ervaarder presenteren en deze figuren worden (terug in het aardse leven) door het individu verschillend geïnterpreteerd, zoals bijvoorbeeld engelen, Jezus, Christus, God, Lichtbron, het al, de Schepper, Boeddha et cetera. De namen die aan de figuren wordt gegeven is afhankelijk van de cultuur waaruit men afkomstig is en welk geloof de ervaarder aanhangt.
Met deze lichtwezens wordt veelal gesproken of lichamelijk contact gemaakt en er vindt een onuitsprekelijke ervaring van 'liefdesoverdracht' plaats. Ook vindt er soms een levensoverzicht plaats in het bijzijn van een liefdevol lichtwezen, die zonder oordeel over jou, je laat zien hoe je je leven tot nu toe hebt ervaren. Je wordt geconfronteerd met de voor jou goede en minder goede manieren in het leven en tijdens het overzicht ervaart de persoon de gevoelens (pijn én vreugde) van de medemens (alsof hij die persoon zelf is!) waarmee hij of zij (gedurende zijn leven!) in contact heeft gestaan. Dit kan heel confronterend zijn voor de ervaarder, omdat de ervaarder zélf gaat ervaren wat de vreugde en pijn was die hij of zij heeft gegeven in het leven.
Ook wordt er vaak aan de ervaarder gevraagd of hij of zij geleerd heeft om lief te hebben. Door de bijnadoodervaring heeft de ervaarder inzicht gekregen hoe hij of zij kan proberen om de (tot dan toe) verkeerde dingen in zijn of haar leven een goede wending te geven. Een voorbeeld van een bekend persoon die een BDE gehad heeft is Peter Sellers. De ‘Pink Panther’ , of inspecteur Clouseau. Na zijn eerste hartaanval was hij klinisch dood en had hij een BDE .’ Ik voelde mezelf uit mijn lichaam gaan .Ik zweefde gewoon uit mijn fysieke lichaam en zag dat ze mijn lichaam naar het hospitaal reden. Ik ging mee… Ik was helemaal niet bang of zo. Ik voelde me heel goed. Het was mijn lichaam dat een probleem had.’.
Ondertussen probeerde men hem te reanimeren.
‘Ik keek rond mij en zag een ongelooflijk helder mooi en liefdevol wit licht boven mij. Ik wilde niets meer dan naar dat licht te gaan…. Ik wist dat er liefde, echte liefde was aan de andere zijde van het licht. En deze liefde trok me zo sterk aan…’
Toen zijn hart terug begon te werken werd hij terug naar zijn fysieke lichaam gezogen. Ontgoocheld ontwaakte hij uit zijn toestand van klinische dood.
Deze ervaring had een diepe invloed op Peter Sellers. Hij geraakte erdoor overtuigd van het bestaan van reïncarnatie . Hij begon zich te verdiepen in een aantal geestelijke zaken en begon ook met yoga.
Dit is dus wat mensen ervaren. Dit zegt niets over de oorzaak van deze ervaringen of het achterliggende mechanisme. Uit het verhaal van Sellers wordt duidelijk dat een BDE het leven van mensen ingrijpend kan veranderen. Vaak wordt ook geclaimd dat mensen die een BDE hebben gehad daarna beschikken over paranormale gaven. Dit wordt ook gebruikt als argument voor het waarheidsgehalte van bijna dood ervaringen.
Wat moeten we hier nu van vinden? Is er werkelijk geen normale wetenschappelijke verklaring van de verschijnselen rond bijna dood ervaringen mogelijk? Als Van Lommel en andere aanhangers van de theorie dat BDE’s een verschijnsel zijn die overeenkomen met een stand van zaken in de werkelijkheid, dan hebben we een probleem. De hele wetenschap zou dan overhoop moeten. Het is de vraag of Van Lommel echt iets bewezen heeft. Zijn methodologie en bewijsvoering lijken me niet erg sterk. Een bekend adiagum uit de wetenschap is dat buitengewone aannames vragen om buitengewone bewijzen. De zogenaamde bewijzen waar Van Lommel mee komt zijn buitengewoon zwak. De argumenten waarmee hij de gangbare verklaringen van tafel veegt lijken me ook niet erg sterk.
Een van de meer gebruikelijke verklaringen is om BDE’s te verklaren vanuit een zuurstofgebrek in de hersenen. Volgens Van Lommel kan dit niet kloppen. Bij een zuurstoftekort zou er sprake zijn van een uitval van hersenactiviteit die gepaard gaat met hallucinaties en gevoelens van vrede en geluk. Dit zou komen doordat bepaalde receptoren in de hersenen worden geblokkeerd en maakt het lichaam een soort morfine (endorfine) aan. Volgens Van Lommel zou dit niet kunnen “omdat juist een verruimd en helder bewustzijn met herinneringen wordt ervaren en omdat er ook omstandigheden zijn zoals een dreigend verkeersongeluk of een depressie waarin een BDE kan worden zonder dat er sprake is van een zuurstofgebrek.” (Van Lommel, 2007, p.110) Uit het onderzoek van Van Lommel blijkt dat 18% van de mensen die een hartstilstand krijgen een BDE ervaren. Daaruit trekt hij de conclusie dat het bewustzijn wel los van de hersenen moet bestaan. Die 18% is echter consistent met de wetenschappelijke literatuur. Wanneer men bij een hartstilstand hartmassage toepast zal de bloedtoevoer naar de hersenen weer op gang komen. Op dat moment is de gemiddelde stroomsterkte in de hersenen niet genoeg om bewustzijn in de hersenen op te wekken. We hebben het hier echter over een gemiddelde. Er zijn dus variaties. Bij sommige mensen zou de stroomsterkte in de hersenen dus wel sterk genoeg kunnen zijn om bewustzijn op te wekken. Dit is bij ongeveer 20% van de reanimaties het geval. Dan is er de tunnel van licht die mensen zeggen te ervaren bij een BDE. Anesthesioloog Gerald Woerlee heeft hier een heel overtuigde verklaring voor. Ons oogweefsel heeft veel zuurstof nodig, meer nog dan de hersenen. Als er na hartstilstand slechts weinig zuurstof beschikbaar is, dan wordt het beetje zuurstof dat er nog is, gebruikt in het centrale deel van de ogen. Je ziet dus meer licht in het midden dan aan de randen, wat de ‘tunnel van licht’ verklaart. Het felle licht dat volgens mensen met een BDE aan het eind van de tunnel te zien is, kan worden verklaard door de verwijde pupillen van de bijna-overledene. Slechts een bescheiden lichtbron lijkt dan al enorm fel. Heel veel verschijnselen die Van Lommel beschrijft zijn te verklaren uit zuurstofgebrek in de hersenen. Andere verklaringen zijn een teveel aan kooldioxide. Verder spelen veranderingen in de chemische huishouding van de hersenen plaats. Men kan onder invloed van ketamine (een stof die vroeger bij narcoses werd gebruikt) ervaringen hebben die lijken op bijna dood ervaringen. Hetzelfde geldt voor de endorfine die de hersenen zelf aanmaken en voor psychedelica zoals bijvoorbeeld LSD en psilocybine (paddo’s). De elektrische activiteit van de hersenen zou ook nog een rol kunnen spelen. Er zijn dus veel verklaringen mogelijk voor de verschijnselen die Van Lommel beschrijft die een stuk minder vergezocht zijn dan die van Van Lommel.
Er is stevige kritiek mogelijk op Van Lommel. Hij plaatst zich in feite buiten de wetenschap en begeeft zich op het glibberige pad van de ‘spiritualiteit’. Zijn bevindingen zijn net zo wetenschappelijk als het geloof in UFO’s , graancirkels of paranormale verschijnselen. Fox Mulder in de bekende televisieserie ‘The X Files’ had op zijn kantoor altijd een poster hangen met de afbeelding van een UFO met daarbij de tekst ‘I want to believe’ (ik wil geloven). Deze serie gaat over een afdeling van de FBI die zich bezig houdt met onopgeloste en onverklaarbare zaken; de zogenaamde x files. Fox Mulder wilde maar al te graag geloven in UFO’.s en paranormale verschijnselen. Mulder is een believer. Het willen geloven staat het zicht op de werkelijkheid in de weg. Pim van Lommel is net als Fox Mulder; hij wil graag geloven. Ook Van Lommel is een believer. Dat zorgt er voor dat hij weinig kritisch op zijn onderzoek, kritiek te makkelijk wegwuift en met onwaarschijnlijke verklaringen van het verschijnsel BDE komt. Veel van de verschijnselen die Van Lommel beschrijft zijn op een normale manier te verklaren. Voor de verschijnselen die niet wetenschappelijk te verklaren zijn, moeten we er op vertrouwen dat er op termijn wel een wetenschappelijke verklaring zal komen.
Raymond van Es
Abonneren op:
Posts (Atom)